Recht op omgang met het kind in coronatijd

Raymond en Kim hebben elkaar vier jaar geleden tijdens een vakantietrip leren kennen. Het was liefde op het eerst gezicht. Eenmaal in Nederland teruggekomen besloten Raymond en Kim om na een aantal maanden samen te gaan wonen. Twee jaar later zijn Raymond en Kim de ouders geworden van Job. Op het moment dat de eerste coronagolf uitbrak en Raymond en Kim samen met Job 24/7 bij elkaar waren begonnen er scheurtjes te ontstaan in de relatie. Deze zomer hebben Raymond en Kim er voor gekozen om uit elkaar te gaan, waarna zij zich samen hebben gewend tot een mediator om afspraken te maken. Ten aanzien van Job geldt dat hij bij Kim zijn hoofdverblijf heeft. Daarnaast heeft hij iedere week omgang met Raymond waarbij hij iedere week van donderdagochtend tot zaterdagavond bij Raymond verblijft. Raymond geniet ieder moment dat Job bij hem is. Echter, tot grote schrik van Raymond heeft Kim vorig weekend aangegeven dat Job geen contact meer mag hebben met Raymond. Uit het niets wordt Raymond er van beschuldigd dat hij tijdens de omgangsmomenten drugs zou gebruiken. Ten einde raad heeft Raymond vandaag contact met mij gezocht.

Hoe zit het ook al weer?

Een kind altijd het recht heeft op contact met beide ouders. Op het moment dat ouders uit elkaar gaan dienen zij dan ook afspraken te maken op welke dagen het kind bij de ene of bij de andere ouder verblijft. Komen ouders er niet uit dan kan er aan de rechter verzocht worden om een omgangsregeling vast te stellen. Als er een omgangsregeling is overeengekomen c.q. is vastgesteld dan dienen beide ouders deze regeling na te komen. In de case van Raymond mag Kim de omgang tussen Raymond en Job dus niet eigenhandig stopzetten. Indien een ouder dit wel doet dan is het uiteraard noodzaak om aan de andere ouder kenbaar te maken dat u het niet eens bent met het feit dat de omgang is stopgezet en dat u graag wilt zien dat er aan de omgangsregeling weer uitvoering wordt gegeven.

De politie bellen of hulpverlening inschakelen?

Raymond vertelde mij dat hij zelf heeft geprobeerd om tot een oplossing te komen, helaas geeft Kim niet thuis. Gezien het feit dat Raymond radeloos was heeft hij in eerste instantie de hulp van de politie ingeroepen, op basis van onttrekking van het kind aan het ouderlijk gezag van Raymond. De ervaring leert echter dat de politie weinig kan en zal ondernemen, zo ook in het geval van Raymond. De politie heeft in de case van Raymond geprobeerd te bemiddelen, dit echter tevergeefs.

Daarnaast heeft Raymond op advies van de politie de hulpverlening ingeschakeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin. Gezien het feit dat deze vorm van hulpverlening vrijwillig is en Kim nergens aan mee wenst te werken, is ook deze hulp niet van de grond gekomen.

De hulp inschakelen van een advocaat?

Raymond heeft uiteindelijk vrij snel mijn hulp ingeroepen. Mijn advies is aan elke (benadeelde) ouder om hier nooit te lang mee te wachten, immers, hoe langer een kind zijn/haar ouder niet ziet hoe schadelijker dit voor een kind is. Ook ik heb geprobeerd om met Kim in contact te komen om in onderling overleg tot een oplossing te komen. Kim heeft via een eigen advocaat aangegeven dat het beter voor Job is als er geen contact meer is tussen Raymond en Job.

Spoedprocedure

Namens Raymond ben ik een kort geding gestart waarbij ik aan de rechtbank heb gevraagd om Kim te verplichten om de overeengekomen omgangsregeling na te komen. Als verweer bracht Kim naar voren dat zij van mening is dat de omgang tussen Job en Raymond dient te worden ontzegd omdat de omgangsmomenten niet in het belang van Job zouden zijn. Tijdens deze procedure werd Raymond er opnieuw van beschuldigd dat hij drugs zou gebruiken. Middels urinetesten (welke Raymond al voor aanvang van de zitting had gedaan) hebben wij op de zitting kunnen aantonen dat er geen sprake is van drugsgebruik. De rechtbank heeft na de zitting binnen twee weken de uitspraak gedaan en bepaald dat Kim haar medewerking moet geven aan de overeengekomen omgangsregeling. Via het kort geding heb ik dus vrij snel voor Raymond kunnen regelen dat de omgang met Job weer is hervat.

Conclusie

Mocht u als moeder of als vader in eenzelfde situatie zitten als Raymond dan is mijn advies om niet te lang te wachten met het inschakelen van de hulp van een advocaat. Immers, zoals ik al eerder schreef hoe langer een kind zijn of haar ouder niet ziet hoe schadelijker dit is. Tegelijkertijd geldt ook dat er een groot risico bestaat dat de omgang eerst weer langzaam dient te worden opgebouwd indien het kind een ouder lang niet heeft gezien In dit soort situaties duurt het dus veel langer voordat er weer op een frequente basis omgang is. Probeer dit te voorkomen door snel actie te ondernemen zodra de andere ouder de omgang heeft stopgezet.

ECLI:NL:CBB:2017:233

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/579

14914

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juni 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. B.A.S. van Leeuwen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A.K. Pieters).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2015 (het primaire besluit), heeft verweerder op grond van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening) de taxivergunning van appellant voor de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning) met ingang van 6 februari 2015 ingetrokken.

Bij besluit van 26 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Het onderzoek is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen inlichtingen te verstrekken.

Verweerder heeft bij brief van 21 juli 2016 inlichtingen verstrekt. Appellant heeft aangegeven geen reactie in te zullen dienen.

Verweerder en appellant hebben op respectievelijk 25 oktober 2016 en 10 mei 2017 het College toestemming verleend voor het doen van uitspraak zonder nadere zitting, als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het onderzoek is vervolgens gesloten.

Overwegingen

1.1.

Appellant was ten tijde in geding werkzaam als taxichauffeur en tevens vennoot van het taxibedrijf [naam 2] VOF. Appellant en [naam 2] VOF hadden een samenwerkingsovereenkomst met Taxi Centrale Schiphol (TCS), een door de gemeente Amsterdam Toegelaten Taxi Organisatie (TTO). Appellant beschikte ten tijde in geding over een hem door verweerder verleende Taxxxivergunning voor het gebruik van de taxistandplaatsen in Amsterdam en het aanbieden van taxivervoer in Amsterdam aan mensen op straat (opstapmarkt).1.2.

Verweerder heeft bij het primaire besluit op grond van artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Taxiverordening de Taxxxivergunning van appellant ingetrokken. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellant zonder geldige Taxxxivergunning taxivervoer heeft aangeboden en aldus artikel 2.3, eerste lid van de Taxiverordening, gelezen in samenhang met artikel 2.14 van de Taxiverordening en artikel 1, vierde lid, aanhef en onder e, van het Besluit Nadere regels eisen chauffeurs heeft overtreden. Meer in het bijzonder verwijt verweerder dat appellant op 18 januari 2015 de standplaats van het Centraal Station te Amsterdam is opgereden met het kennelijke doel vervoer aan te bieden, terwijl de Taxxxivergunning van appellant op deze standplaats vanaf 30 december 2014 tot maart 2015 is geschorst door TCS. Bij besluit van 26 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de intrekking van de Taxxxivergunning gehandhaafd. Verweerder gaat in zijn besluitvorming ervan uit dat TCS de Taxxxivergunning van appellant bij brief van 29 december 2014 heeft geschorst. In die brief staat dat TCS appellant de maatregel heeft opgelegd van: “drie maanden schorsing OVW voor standplaats CS – begin datum: 30-12-2014 10.00, einddatum 30-03-2015 10.00”.1.3.

Met een brief van 21 juli 2016 heeft verweerder, samengevat, de volgende informatie verstrekt. Een TTO is een privaatrechtelijke rechtspersoon die de publiekrechtelijke verhouding tussen een bij hem aangesloten chauffeur en verweerder niet kan aantasten. De door TCS opgelegde schorsing als bedoeld in de brief van 24 (lees: 29) december 2015 betreft geen schorsing van de Taxxxivergunning maar een schorsing van de aansluiting van appellant bij TCS voor de standplaats Amsterdam CS. Deze schorsing, die naar aanleiding van de door appellant op 21 december 2014 gepleegde overtreding bij wijze van maatregel is opgelegd, is gebaseerd op de privaatrechtelijke overeenkomst tussen TCS en appellant. Artikel 82b, derde lid en zesde lid, aanhef en onder f, van de Wp2000 biedt daartoe de ruimte. Dit artikel strekt ertoe de handhaving naar aanleiding van geconstateerde onregelmatigheden deels neer te leggen bij de TTO. De door TCS opgelegde schorsing berust daarom op een juiste wettelijke grondslag. Het in geding zijnde bestreden besluit berust volgens verweerder bij nader inzien echter niet op een juiste wettelijke grondslag. Verweerder was op grond van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder d, van de Taxiverordening gehouden tot schorsing van de Taxxxivergunning voor een gelijke periode als die waarover de TTO de aansluiting van appellant had geschorst, maar heeft dat niet gedaan. Dat is een situatie waarin de Taxiverordening niet voorziet. Volgens verweerder had hij in het bestreden besluit toepassing kunnen geven artikel 2.17, vierde lid, van de Taxiverordening. Ingevolge die bepaling heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid om een Taxxxivergunning te schorsen of in te trekken indien de chauffeur zich gedraagt op een wijze dat naar oordeel van verweerder de kwaliteit van taxivervoer wordt aangetast. Dat daarvan sprake is volgt volgens verweerder uit de omstandigheid dat appellant, wetende dat zijn aansluiting met TCS voor de standplaats Amsterdam CS was geschorst, willens en wetens is blijven werken op de opstapmarkt. Verweerder heeft het College verzocht om hem met toepassing van de bestuurlijke lus in de gelegenheid te stellen voormeld gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2. Het College stelt vast dat verweerder in zijn brief van 21 juli 2016 heeft erkend dat de intrekking van de Taxxxivergunning op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Het primaire besluit en het bestreden besluit zijn dus genomen in strijd met artikel 2.3, eerste lid van de Taxiverordening, gelezen in samenhang met artikel 2.14 van de Taxiverordening en artikel 1, vierde lid, aanhef en onder e, van het Besluit Nadere regels eisen chauffeurs. Aan een dergelijk gebrek kan niet worden voorbijgegaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met evenbedoelde bepalingen uit de Taxiverordening.

3. Het College dient aansluitend te bezien welk gevolg deze uitkomst heeft. Ingevolge artikel 8:41a van de Awb dient de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. Het College ziet geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven. Verweerder heeft in zijn brief van 21 juli 2016 het College verzocht om toepassing te geven aan de bestuurlijke lus door hem in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen (artikel 8:51a van de Awb), omdat volgens hem aan het bestreden besluit artikel 2.17, vierde lid, van de Taxiverordening ten grondslag kan worden gelegd. Ingevolge die bepaling kan een Taxxxivergunning worden geschorst of ingetrokken indien de chauffeur zich gedraagt op een wijze dat naar het oordeel van verweerder de kwaliteit van taxivervoer wordt aangetast. In aanmerking genomen dat het hier gaat om een voor appellant belastend besluit dat op een onjuiste wettelijke grondslag berust, alsook dat de beoordeling van de grondslag die verweerder kennelijk voor het nemen van een nieuw besluit voor ogen heeft een andere is, zal het College de bestuurlijke lus niet toepassen. Het College is van oordeel dat het door verweerder beoogde nader te nemen besluit niet als heroverweging van het primaire besluit kan worden aangemerkt, noch als een besluit waarmee een gebrek in het bestreden besluit kan worden hersteld. Gelet hierop ziet het College aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Het College zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

4. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de door de appellant in beroep gemaakte kosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,-).

Beslissing

Het College:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt het bestreden besluit;

– herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-;

– draagt verweerder op aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 167,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en

mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2017.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.W.E. Pinckaers

Weigering Verklaring omtrent het gedrag voor het profiel: Gezondheidszorg

Onder het screeningsprofiel “gezondheidszorg en welzijn van mens en dier” vallen zowel beroepen in de intramurale als de extramurale zorg.
Functionarissen in dit screeningsprofiel zijn belast met de zorg voor personen en kunnen in een één-op-één relatie komen te verkeren met degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. In deze relatie kan sprake zijn van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Het risico bestaat dat misbruik wordt gemaakt van de (tijdelijke) afhankelijkheid waardoor het risico van onder andere zeden- en geweldsdelicten aanwezig is. Verder is het risico aanwezig van diefstal van goederen.
Functionarissen kunnen te maken krijgen met het voorhanden hebben en bedienen van medische apparatuur, hulpmiddelen en toebehoren en het vervaardigen, aanschaffen, beheren, verkopen en toedienen van geneesmiddelen. Het risico bestaat dat oneigenlijk of onjuist gebruik wordt gemaakt van de geneesmiddelen, grondstoffen voor geneesmiddelen, medische apparatuur, medische hulpmiddelen en toebehoren. Geneesmiddelen kunnen worden gestolen. Dit kan een risico vormen voor de gezondheid, het welzijn en de veiligheid van personen en de volksgezondheid in het algemeen.
Tevens kunnen deze personen toegang krijgen tot systemen waarin vertrouwelijke en gevoelige gegevens zijn opgeslagen. Zij kunnen de bevoegdheid hebben om deze gegevens te bewerken. Het risico bestaat dat oneigenlijk gebruik of onjuist gebruik wordt gemaakt van de in de systemen opgeslagen gegevens. Dit kan tot uiting komen in omkoping, chantage (afdreiging) of afpersing, vernieling of sabotage en valsheid in geschrifte.

Wettelijk kader

Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna WJSG) bepaalt dat een VOG wordt afgegeven als er na onderzoek niet is gebleken van bezwaren tegen de aanvrager. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Ook worden de belangen van betrokkene meegewogen. 
Artikel 35 van de WJSG bepaalt dat de afgifte van een VOG wordt geweigerd als in de justitiële documentatie over de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien het zou worden herhaald, een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan. Dit vanwege het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval. 
Artikel 36 van de WJSG bepaalt dat in het onderzoek kennis kan worden genomen van alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie van de aanvrager en van gegevens uit de politieregisters. Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens bepaalt dat veroordelingen, transacties, openstaande strafzaken en sepots worden aangemerkt als justitiële gegevens. 
De Beleidsregels VOG-NP-RP-2013, STCRT 1 maart 2013, nr. 5409 (hierna de beleidsregels) bevatten nadere regels over het beoordelen van aanvragen voor een VOG.

Beoordeling van de aanvraag

Voor de beoordeling van een aanvraag geldt een terugkeertermijn van vijf (5) jaren. Indien iemand binnen deze terugkeertermijn voorkomt in de justitiële documentatie, zal de Staatssecretaris diens gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS ontvangen. Indien iemand binnen de van toepassing zijnde terugkeertermijn voorkomt in het JDS worden ingevolge paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkeertermijn liggen bij de beoordeling betrokken. Aan zulke strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkeertermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig ten grondslag te worden gelegd aan de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Objectieve- en Subjectieve Criteria

De beoordeling van een aanvraag om toewijzing van een VOG begint met toetsing aan het objectieve criterium. Het gaat erom of de justitiële gegevens die zijn aangetroffen in het JDS van de aanvrager, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien aan het objectieve criterium zou zijn voldaan, is in beginsel de grondslag voor weigering van de VOG gegeven.
Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt vervolgens bezien of in de omstandigheden van het geval aanleiding behoort te worden gezien om toch over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Bij de beoordeling wordt gekeken naar het tijdsverloop sinds iemand met justitie in aanraking is gekomen. Hoe recenter dit justitiecontact is, hoe zwaarder het wordt meegewogen in de beoordeling.

ECLI:NL:CRVB:2013:2652

Datum uitspraak: 3 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 december 2011, 11/4665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft het college nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat, als opvolgend gemachtigde en

A. Yildirim als zijn tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Saygi.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.1.1.

Appellant ontving vanaf 23 februari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Na een signaal van de Belastingdienst heeft het college een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is het gegevensbestand van Suwinet geraadpleegd, zijn loongegevens opgevraagd en verkregen van [werkgever 1] alsmede de tussen appellant en [werkgever 2] voor de periode van

1 maart 2010 tot en met 31 augustus 2010 gesloten arbeidsovereenkomst met nulurengarantie en informatie over de wijze van betaling (per kas).1.2.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 4 mei 2011 de bijstand over de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 juli 2010 ingetrokken. Daarbij heeft het college tevens de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.656,93 bruto van appellant teruggevorderd.1.3.

Bij besluit van 22 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet uit eigen beweging mededeling te doen van de inkomsten uit werkzaamheden in de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 juli 2010 bij werkgever [werkgever 2]. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellant toen in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft betwist dat hij inkomsten uit arbeid heeft genoten en dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting.4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.4.1. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor appellant belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.4.2.

In gevallen waarin het college van de Belastingdienst informatie ontvangt over door een betrokkene genoten inkomsten uit arbeid, heeft het college naar vaste rechtspraak

(CRvB 7 april 2009, ECLI:NL:CRvB:2009:BI1928) in voldoende mate aan de onder 4.1 bedoelde onderzoeksplicht en bewijslast voldaan, indien de uit het onderzoek naar dat signaal van de werkgever en/of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verkregen gegevens de informatie van de Belastingdienst bevestigen. Daarbij is wel vereist dat de uit beide bronnen verkregen gegevens op relevante onderdelen, waaronder het burgerservicenummer van de betrokkene, de werkgever, de arbeidsverhouding en het loon van de betrokkene, met elkaar overeenstemmen.4.3.

Indien aan de onder 4.2 vermelde vereisten is voldaan, kan hieraan de gevolgtrekking worden verbonden dat de betrokkene inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt.4.4.

Vastgesteld wordt dat in het geval van appellant niet aan de vereisten vermeld onder 4.2 is voldaan, omdat de gegevens van Suwinet over het aan appellant betaalde loon niet overeenkomen met de loonspecificaties die [werkgever 2] aan het college heeft verstrekt. Volgens de Suwinet-gegevens is aan appellant alleen over de maanden maart, april en juli 2010 loon betaald. Volgens de loonspecificaties heeft appellant ook in de maanden mei en juni 2010 loon ontvangen. Voorts komen de gegevens van Suwinet over de hoogte van het loon in de maanden maart en april 2010 niet overeen met de bedragen op de loonspecificaties over die maanden. De aantekeningen in de agenda van[werkgever 1], voor zover al leesbaar, zijn ontoereikend om op basis daarvan aan te nemen dat appellant getekend heeft voor de ontvangst van contant uitbetaald loon. Daarbij kan in het midden blijven of in die agenda de handtekening van appellant voorkomt en of, zoals[werkgever 1] heeft opgegeven, ook de echtgenote van appellant haar handtekening heeft gezet, terwijl zij volgens appellant in Turkije woont en nimmer in Nederland is geweest.4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het besluit tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 juli 2010 op onvoldoende feitelijke grondslag berust. Dit betekent eveneens dat het college niet bevoegd was tot terugvordering van de kosten van bijstand over die periode. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding het primaire besluit te herroepen aangezien aan dat besluit hetzelfde gebrek kleeft en niet aannemelijk is dat dit gebrek bij een nadere besluitvorming kan worden hersteld.4.6.

Het verzoek van appellant om een veroordeling tot het vergoeden van schade komt voor toewijzing in aanmerking in zoverre dat het college wettelijke rente dient te betalen voor zover de terugvordering reeds is geëffectueerd.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in bezwaar, € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 2.832,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

– vernietigt de aangevallen uitspraak;

– verklaart het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

– herroept het besluit van 4 mei 2011;

– veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.832,-;

– bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,- vergoedt;

– wijst het verzoek om schadevergoeding toe zoals onder 4.6 is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) P.J.M. CrombachHD

ECLI:NL:CRVB:2017:2254

Uitspraak

15/5610 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 juli 2015, 15/1561 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 januari 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Zij is op 17 februari 2014 in dienst getreden als arts bij [Stichting] . Op 13 mei 2014 heeft zij door middel van een wijzigingsformulier aan het Uwv doorgegeven dat zij met ingang van 7 maart 2014 volledig aan het werk is bij dit ziekenhuis. Verder heeft zij vermeld dat zij wegens de drukte op het werk niet tijdig heeft doorgegeven dat zij een nieuwe baan heeft en dat zij zo snel mogelijk twee maanden wil terugbetalen.1.2.

Bij besluit van 20 juni 2014 heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van
17 februari 2014 ingetrokken en over de periode van 17 februari 2014 tot en met 27 april 2014 een bedrag van € 6.993,50 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellante teruggevorderd. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.1.3.

Bij een tweede besluit van 20 juni 2014 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 3.500,-, omdat zij te laat heeft doorgegeven dat zij heeft gewerkt bij [Stichting] .1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 30 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het boetebesluit van 20 juni 2014 gegrond verklaard. De boete is op grond van het gewijzigde boetebeleid naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) vastgesteld op € 1.750,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet tijdig en volledig mededeling te doen van haar werkzaamheden voor [Stichting] . Uit de door het Uwv overgelegde contacthistorie blijkt dat appellante met betrekking tot deze wijziging niet eerder dan op 1 mei 2014 contact met het Uwv heeft opgenomen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij eerder heeft gebeld. In elk geval heeft appellante de wijziging niet juist doorgegeven. Op het wijzigingsformulier van 13 mei 2014 heeft zij immers vermeld per 7 maart 2014 werkzaamheden te verrichten, terwijl zij reeds per

17 februari 2014 in dienst is getreden en daarvoor ook loon heeft ontvangen. De rechtbank acht de boete van € 1.750,- evenredig. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het Uwv is uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid omdat appellante de wijziging, hoewel niet volledig en juist, wel heeft doorgegeven voordat het Uwv de overtreding heeft opgemerkt. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat zij op het moment dat zij de wijziging had moeten doorgeven in een zodanige geestelijke toestand verkeerde dat de overtreding van de inlichtingenverplichting haar niet valt aan te rekenen. Blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 december 2014 was appellante ondanks de depressieve episode en haar sociale situatie in de gelegenheid om te voldoen aan de inlichtingenverplichting.3.1.

In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de gronden van bezwaar en beroep, staande gehouden dat zij vanaf het moment dat zij er achter kwam dat zij naast het loon van [Stichting] WW-uitkering bleef ontvangen, met het Uwv heeft gebeld en de werkzaamheden heeft gemeld. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat zij depressief was en in een moeilijke sociale situatie verkeerde. Appellante heeft benadrukt dat zij nooit de bedoeling heeft gehad om naast haar loon WW-uitkering te ontvangen. Zij heeft daarom geen bezwaar gemaakt tegen het terugvorderingsbesluit en heeft de uitkering direct terugbetaald.3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.4.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 van de aangevallen uitspraak.4.2.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Ook in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat appellante eerder dan op 1 mei 2014 melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden. Ter zitting heeft appellante gesteld dat zij zich de datum van het eerste telefoongesprek met het Uwv niet kan herinneren, maar denkt dat dit begin april was. Ook heeft zij ter zitting verklaard dat een medewerker van het Uwv haar heeft gezegd dat zij een wijzigingsformulier moest indienen, dat zij vrijwel direct daarna een DigiD heeft aangevraagd en enkele dagen na ontvangst daarvan digitaal een wijzigingsformulier bij het Uwv heeft ingediend. Deze verklaring sluit aan bij de telefoonnotitie in de
KCC-contacthistorie van het Uwv, die vermeldt dat appellante op 1 mei 2014 heeft doorgegeven dat zij in loondienst werkt, te veel ontvangen WW-uitkering wil terugbetalen en digitaal een wijzigingsformulier zal indienen, welk formulier op 13 mei 2014 is ingediend. Van eerdere telefoongesprekken wordt in de contacthistorie geen melding gemaakt en appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze hebben plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat appellante niet tijdig melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de psychische en sociale situatie van appellante geen reden is om dit haar niet toe te rekenen.4.3.

Het Uwv heeft de overtreding van de inlichtingenverplichting verminderd verwijtbaar geacht, omdat appellante de werkhervatting uit eigen beweging heeft doorgegeven en heeft daarom een boetepercentage van 25% gehanteerd. Het Uwv ziet geen aanleiding om nog een verdere verlaging op grond van het boetebeleid bij het zelf alsnog melden van inlichtingen toe te passen, omdat appellante door haar werkzaamheden over de periode van 17 februari 2014 tot 7 maart 2014 onvermeld te laten, een aanzienlijk deel van de informatie achterwege heeft gelaten. Van het alsnog uit eigen beweging de juiste inlichtingen verstrekken is daarom geen sprake. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij 7 maart 2014 als ingangsdatum op het wijzigingsformulier heeft opgegeven, omdat toen het contract met het ziekenhuis rond was en zij feitelijk begon met werken, maar dat neemt niet weg dat zij met ingang van
17 februari 2014 in dienst is getreden bij [Stichting] en vanaf die datum ook loon heeft ontvangen. Het standpunt van het Uwv wordt daarom onderschreven dat er in die omstandigheden geen aanleiding is om over te gaan tot nog verdere vermindering van de verwijtbaarheid.4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat een boete ter hoogte van 25% van het benadelingsbedrag passend en geboden is. Nu in het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dit luidt per 1 januari 2017, de boete niet langer naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-, leidt dit tot een boete van € 1.748,38. Nu dit lager is dan de opgelegde boete zal de boete op dit bedrag worden vastgesteld.4.5.

Omdat het hoger beroep leidt tot een ander boetebedrag slaagt het hoger beroep en zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd met uitzondering van de vergoeding van de kosten van bezwaar. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en de op te leggen boete zal worden vastgesteld op € 1.748,38.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, begroot op

€ 495,- voor kosten van rechtsbijstand in beroep en € 990,- voor kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • -verklaart het beroep tegen het besluit van 30 januari 2015 gegrond en
    vernietigt dat besluit met uitzondering van de vergoeding van de kosten van bezwaar;
  • -stelt het bedrag van de boete vast op € 1.748,90 en bepaalt dat deze uitspraak
    in de plaats treedt van het besluit van 30 januari 2015;
  • -veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
    € 1.485,-;
  • -bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde
    griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. van Rooijen

Vuurwapengebruik door het AT bij verrichting van een planmatige aanhouding van een niet-vuurwapengevaarlijke verdachte.

Casus

In deze zaak is er sprake van een verdachte die een verkrachting heeft gepleegd, waarbij hij gedreigd heeft met een mes of steekwapen. Uit het HKS en de CIE informatie blijkt echter niet dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft of voorhanden kan hebben.

Mag het arrestatieteam gaan optreden ter aanhouding van deze verdachte? Zo ja, is daarbij het gebruik maken van vuurwapens rechtmatig?  

Toestemming voor AT optreden

In het oude artikel 8 lid 1, sub 1 t/m e Besluit Beheer Politiekorpsen werd bepaald, dat indien redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat gebruik van vuurwapengeweld tegen de politie of anderen dreigt, het AT tot taak heeft de volgende werkzaamheden te verrichten, namelijk: a) Het verrichten van planmatige aanhoudingen, b) Het bewaken en beveiligen van politieambtenaren, c) Het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden, d) Het assisteren bij het bewaken en beveiligen van objecten, en e) Andere werkzaamheden waarvoor toestemming is verkregen van Onze Ministers.[1]

In de hierboven genoemde zaak betrof het juist een niet-vuurwapengevaarlijke verdachte. Zodoende zou het AT op basis van de oude wetgeving geen toestemming kunnen krijgen voor het verrichten van een planmatige aanhouding van de desbetreffende verdachte. 

In het nieuwe artikel 8 lid 1, sub a t/m e Besluit Beheer Regionale Politiekorpsen wordt echter bepaald, dat indien er redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen politie of anderen dreigen, het AT deze werkzaamheden mag verrichten. In tegenstelling tot het oude artikel 8 BBRP hoeft er dus niet meer expliciet sprake te zijn van een vuurwapen dreiging dan wel vuurwapengeweld. [2]

In de hierboven genoemde zaak ging het weliswaar om een niet-vuurwapengevaarlijke verdachte, echter het AT zou op basis van de nieuwe wetgeving wel toestemming kunnen krijgen voor het verrichten van een planmatige aanhouding van de desbetreffende verdachte. 

Op basis van het feit dat de verdachte nog in het bezit is van een mes of steekwapen kan er sprake zijn van een levensbedreigende omstandigheid. Zodoende is het verrichten van een planmatige aanhouding  door het AT nu wel gerechtvaardigd, en mag er voor een dergelijke werkzaamheid toestemming worden verleend.

Rechtmatigheid gebruik van vuurwapen ter aanhouding

De verdachte heeft een misdrijf gepleegd waarop een gevangenisstraf staat van meer dan vier jaren en welke een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit. Ook bestaat de kans, dat deze persoon zich aan een aanhouding kan ontrekken. De AT is zodoende op basis van artikel 7 lid 1, sub b onder 1ºen 2º Ambtsinstructie bevoegd tot het gebruik maken van een vuurwapen bij het verrichten van een planmatige aanhouding van de desbetreffende verdachte. 


[1] Staatsblad 2002, nr. 213, p. 3

[2] Staatsblad 2002, nr. 213, p. 3

Het dragen van kledingmerken als LONSDALE

Inleiding

Het afgelopen jaar vond er in de politieregio Haaglanden een incident plaats, waarbij een 15-jarige scholier een medescholier in elkaar had geslagen die een trui van het populaire merk LONSDALE droeg. De 15-jarige dader verklaarde aan de verbalisanten, dat iedereen die kleding koopt of draagt van dat merk voor hem racisten zijn. Het slachtoffer daarentegen was zich van geen kwaad bewust. Hij had de desbetreffende trui cadeau gekregen van zijn moe-der.

In de politieregio Amsterdam-Amstelland vond een soortgelijk incident plaats. In die zaak betrof het een groep van acht leerlingen die zich binnen de  leerlingengemeenschap van de R.K. Scholengemeenschap T. te U. heeft weten te onderscheiden door allen gekleed te gaan in zwarte legerlaarzen, een spijkerbroek, een zwarte trui van het merk LONSDALE en door een gemillimeterde haardracht. De leden van de desbetreffende groep, van wie sommigen bij tijd en wijle (ook) verbaal uiting hebben gegeven aan sympathie voor het rechts-extremistische gedachtegoed, werden door de overige leerlingen “nazi’s” genoemd. Tussen deze groep en een aantal allochtone leerlingen was een rivaliteit ontstaan, welke zich aanvankelijk uitte in scheldpartijen, maar zich medio januari 2003 escaleerde in een vechtpartij en had o.a. geresulteerd in een vechtpartij. Die vechtpartij leidde weer tot tientallen telefoontjes van ouders die verontrust waren omdat hun zoon of dochter niet meer naar school durfde. N.a.v. deze vechtpartij had de schoolleiding een brief gestuurd naar de ouder van haar leerlingen. Hierin stond o.a. dat leerlingen met provocerende kleding met hun ouder op school zouden worden uitgenodigd en schriftelijk zouden moeten verklaren dat ze er geen discriminerende ideeën op na zouden houden. Ingeval van weigering zouden deze leerlingen niet meer wel-kom zijn op de school. Zeven leerlingen van de reeds bovengenoemde groep ondertekenden het zogeheten convenant. Eén leerling echter weigerde dit. Op basis van deze weigering werd de desbetreffende leerling geschorst en vervolgens definitief verwijderd.

Het bovenstaande maakt duidelijk, dat er steeds vaker incidenten plaatsvinden waarbij het kledingmerk LONSDALE een rol speelt. Telkens wordt het aangeduid als een racistisch merk, aangezien het merk tot voor kort voornamelijk door skinheads gedragen werd en deze de naam hebben racistisch te denken. Waarom dragen skinheads LONSDALE en zijn de jon-geren die nu LONSDALE dragen ook werkelijk racistisch? Zo ja, hoe kan de politie op een effectieve wijze optreden tegen personen die dergelijke merken dragen? En kunnen horeca-uitbaters mensen die het merk LONSDALE dragen überhaupt de toegang tot een horecagelegenheid weigeren? 

Belediging van groepen mensen

Artikel 137c Wetboek van Strafrecht bevat een uitvoering van het Internationale Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie van 7 maart 1966.

Dit artikel stelt strafbaar het zich in het openbaar mondeling, bij geschrift of bij afbeelding opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst, hun levensovertuiging of hun seksuele geaardheid.

Het merk LONSDALE

De kledinglijn van het merk LONSDALE dankt deze naam aan Hugh Cdel Lowther, 5th Earl of Lonsdale (1857-1944), een fervent bokser én de eerste voorzitter van de National Sporting Club. De Modernist of Mods, een Britse jongerengroepering die in het begin van de jaren ’60 ontstaan was uit de arbeidersklasse, droegen LONSDALE omdat dit paste bij hun vechters-mentaliteit. Doordat midden jaren ’60 de Britse economie in een crisis belandde, greep een deel van de Mods terug naar de proletarische roots. Deze zgn. hard Mods of Skinheads verheerlijkten fysieke krachten en mannelijkheid, en bouwden een geduchte reputatie op als allround hooligans, die te vinden waren rond de voetbalvelden en op straat, waar fans van rivaliserende clubs, intellectuelen, buitenlanders, hippies en homo’s het mikpunt waren van hun agressie. Deze skinheads hadden weliswaar hun dure kleding ingeruild voor werkkleding, maar zij bleven merken als LONSDALE dragen. Eind jaren ’60 leek de skinheadbeweging enigszins doodgebloed, maar aan het eind van de jaren’70 kende de skinhead weer een opleving, dankzij de punk. De skinheadbeweging onderging een metamorfose en ging steeds meer de ultrarechtse koers varen. Ook trokken deze nieuwe skinheads het bekende uniform aan:

  • Een kaal hoofd;
  • Geen spijkerjacks, maar zwarte of groene bomberjacks;
  • Witte T-shirts of T-shirts met een bandnaam erop. Erg populair waren de LONSDALE shirts. Als men een LONSDALE shirt onder en open jack draagt, dan kan de goede ver-staander in de merknaam NSDA lezen: National Sozialistische Deutsche Arbeiter. Bijna dus de naam van de NAZI partij.  In de volksmond staat LONSDALE voor: “Laat Ons Nederlanders Samen De Allochtonen Langzaam  Executeren”. In Duitsland werd het zwarte poloshirt van Fred Perry populaire. Het shirt was afgezet met een witte en rode bies en vormde met de zwarte kleur tezamen de kleuren van de oude Keizerlijke vlag;
  • Spijkerbroeken van Levi’s met hoog opgerolde pijpen;
  • Dr. Martens of Kisten, waarbij rechtse skins deze schoeisel vastmaakten met witte of gele veters. De linkse skins maakten hun schoeisel echter vast met rode veters;
  • Legerkleding en camouflagekleding;

De reden dat er nu in Nederland zoveel jongeren in LONSDALE rondlopen is niet een heropleving van skinhead, maar van de Gabber. De vraag luidt of deze Gabbers nu als racisten getypeerd mogen worden. Deze vraag dient volgens sommigen ontkennend beantwoord te worden. Hiertoe voeren zij aan, dat je niemand op grond van zijn uiterlijk mag veroordelen en dat hoewel zij voldoen aan de kenmerken van skinheads slechts een deel van hen het merk LONSDALE gebruikt om een politieke boodschap uit te drukken. Bovendien kennen een hoop Gabbers niet de betekenis van het merk LONSDALE en waren erg verbaasd toe hen verteld werd dat de bretels zijn afgekeken van de linkse jongens.

In Duitsland wordt een aantal kledingstukken wel vervaardigd dat, in tegenstelling tot LONSDALE, wel expliciet bedoeld is om een ultrarechtse boodschap over te brengen. Beken-de namen zijn: Patriot, Masterrace, Walhalla, Hate Core, Endzeit. Het aller bekendste merk is CONSDAPLE. Draagt men dit merk onder een open jack, dan worden de letters NSDAP zichtbaar. Deze merknaam is bovendien in handen van een oud-functionaris van de NDP en de Republikaner. Ook kent men een reeks getallen reeksen, die expliciet een bepaalde fascistische boodschap uitdragen, zoals <<88>> (Heil Hitler), <<18>> (Adolf Hitler), <<311>> (KKK), <<25>> (Blut und Ehre) en <<192>> (Adolf is Back). In Duitsland zijn dergelijke uitingen op kledingstukken wel strafbaar gesteld. 

De vraag luidt nu hoe de rechter het dragen van het merk LONSDALE beoordeelt. Hiertoe dient momenteel als maatstaf de uitspraak: Rechtbank Haarlem 21 maart 2003, LJN nummer AF6131

De rechterlijke procedure en uitspraak

Tegen deze definitieve verwijdering begint de vader van de leerling in kwestie een kort-geding bij de Haarlemse Rechtbank. In 3.3 betoogt de raadsman van de leerling, dat ofschoon de vader rechts-extremistische sympathieën afkeurt, hij zich niet kan verenigen met de door de school gekozen maatregel van ondertekening van het convenant op straffe van verwijdering. Hij voert hiertoe aan, dat de school niet eerder dan bij het bovengenoemde gesprek aan de vader kenbaar gemaakt had, dat er m.b.t. tot diens zoon sprake was van problemen van dien aard waren dat ernstige maatregelen werden overwogen. Ook was diens zoon niet eer-der gewaarschuwd, dat zijn gedrag tot maatregelen zou leiden. Aan de beoogde verwijdering van de leerling lag bovendien ten grondslag de weigering van diens ouders om het convenant te tekenen, terwijl een zodanige verwijdering alleen gebaseerd zou kunnen zijn op het gedrag van de betreffende leerling.

Omtrent de inhoudelijke aspecten van het verwijderingsbesluit oordeelde de Rechtbank als volgt. Waar het verwijderingsbesluit ertoe diende een sanctie te stellen op het gegeven dat de leerling en diens vader zich niet hadden willen conformeren aan o.a. de door de school voorgestane beperking in de vrije kledingkeuze van haar leerlingen in een situatie waarin die keuze werd gebruikt, althans het resultaat daarvan werd opgevat, als identificatie met bepaald gedachten goed, raakte dit besluit het in artikel 7 GW en artikel 10 EVRM gewaar-borgde grondrecht op vrijheid van meningsuiting.

Volgens de Rechtbank werd erin artikel 7 lid 3 GW bepaalt dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere middelen van de drukpers, radio of televisie niemand voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Deze bepaling zou volgens de Rechtbank met zich mee-brengen, dat een door de school opgelegde beperking die een vergaande functie had dan het enkel herhalen en onder de aandacht brengen van een in het Wetboek van Strafrecht opgenomen verbod er niet toe kan strekken een door artikel 7 lid 3 GW bedoelde uiting wegens haar inhoud te verbieden. De Rechtbank was echter van mening, dat beperkingen van de uitingsvrijheid op andere gronden, zoals bijvoorbeeld het voorkomen van wanordelijkheden, buiten de reikwijdte van dit artikel vallen en dus in beginsel niet toelaatbaar zijn.

Bij de beoordeling van de door de school genomen maatregelen moet er volgens de Rechtbank een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de aanleiding voor het treffen van de maatregel en anderzijds de aard van deze maatregel.

De aanleiding voor de maatregel werd gevormd door het ontstaan van onrust binnen een deels allochtone leerlingengemeenschap ten gevolge van rechts-extremistische uitingen van een tot die gemeenschap behorende groep leerlingen. Gegeven de aard van deze problematiek kwam de keuze van daartegen te treffen maatregelen aan schoolleiding een zekere mate van vrijheid toe. Dit bracht weer met zich mee dat de noodzaal en functionaliteit van de door de schoolleiding getroffen maatregelen door de rechter marginaal diende te worden getoetst. De Rechtbank was van oordeel dat deze maatregelen de hiervoor bedoelde marginale toets kon door doorstaan. Daartoe voert hij het volgende aan. De mentor en de leerlingbegeleider van de leerling in kwestie hadden aannemelijk gemaakt, dat de groep leerlingen waartoe die leerling behoort door rechts-extremistische uitingen een groep medeleerlingen van allochtone afkomst hadden geprovoceerd en dat sommige leden er zelfs genoegen in schepten dat hun provocaties tot die onrust hadden geleid. Aangezien de school medio 2003 tientallen telefoontjes had ontvangen van ouders die aangaven dat hun kinderen zich vanwege de problemen tussen beide groepen op school onveilig en bedreigd voelden, had de schoolleiding zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gedrag van de groep waartoe de geschorste leerling behoorde correctie behoefde.

T.a.v. de aard van de maatregel was het van belang dat zowel de geschorste leerling als diens vader ter terechtzitting aangegeven hadden dat zij op zichzelf bereid waren een convenant te tekenen, maar dat de daarin opgenomen beperking van de vrijheid van kledingkeuze voor hen onacceptabel was. Gelet hierop werd de beoordeling van de aard van de maatregel op dit punt gefixeerd en als volgt overwogen. Naar oordeel van de Rechtbank was het een feit van algemene bekendheid dat de uiterlijke combinatie van gemillimeterd haar, een bomberjack, een zwarte trui van het merk LONSDALE, een spijkerbroek en zwarte legerschoenen in de Nederlandse samenleving geassocieerd zou worden met extreemrechtse en/ of neonazistische opvattingen. Het gevolg hiervan zou zijn dat aan de drager van deze combinatie rechts-extremistische opvattingen kunnen worden toegedicht die deze persoon in werkelijkheid wel-licht niet aanhangt. Aannemelijk was verder dat de kans op associatie met rechts-extremistische opvattingen en een daarvan uitgaand dreigend effect sterk bevorderd zou worden, in-dien dragers van de hiervoor bedoelde uiterlijke combinatie zich als groep manifesteren. In het licht van het voorgaande achtte de Rechtbank het voorschrijven van beperkingen op het vlak van voormelde combinatie van uiterlijke kenmerken, juist gegeven de uitstraling die van deze combinatie uitgaat, op zichzelf een proportionele en daarmee toelaatbare maatregel. De Rechtbank achtte deze maatregel zinvol, daar de rust op de school was wedergekeerd nadat de 7 overige tot groep waartoe de geschorste leerling behoorde, ervan hadden afgezien de genoemde combinatie te dragen. Daarentegen de Rechtbank vond dat de wijze waarop de schoolleiding deze wijziging in het kleedgedrag van haar leerlingen had willen bewerkstelligen niet aanvaardbaar. Wanneer een schoolleiding kledingvoorschriften zou willen opleg-gen, dan kan zij dat volgens de Rechtbank niet doen door onder dreiging van verwijdering een convenant ter tekening voor te leggen aan een groep leerlingen die bij de schoolleiding op een bepaald moment de behoefte aan zodanige voorschriften had doen voelen. Deze weg zou niet alleen waarborgen dat door het horen van de leerlingenraad wordt nagegaan wat nodig en zinvol is, maar ook leiden tot beperkingen die voor alle leerlingen gelijkelijk gelden, hetgeen een eis is waaraan zeker een maatregel op een vlak als hier aan de orde, behoort te voldoen. 

Conclusie

Het is een feit van algemene bekendheid, dat de uiterlijke combinatie van gemillimeterd haar, een bomberjack, een zwarte trui van het merk LONSDALE, een spijkerbroek en zwarte legerschoenen in de Nederlandse samenleving geassocieerd wordt met extreemrechtse en/ of neonazistische opvattingen. Een drager van dergelijke combinaties zou kunnen worden toegedicht rechts-extremistische opvattingen erop na te houden. Wanneer dergelijke personen zich in een groep manifesteren, wordt de kans op associatie met rechts-extremistische opvattingen en de dreiging die daarvan uitgaat bevorderd. Op basis hiervan kan men het voorschrijven van beperkingen op vlak van voormelde combinatie van uiterlijke kenmerken,  juist gegeven de uitstraling die van deze combinatie uitgaat, op zichzelf een proportionele en daarmee toelaatbare maatregel achten. Zo zouden horeca-uitbaters kunnen overwegen om dergelijke lieden een café uit te gooien wanneer zij een te grote dreiging zouden vormen voor de rest van de cafégangers en het dreigt te escaleren, of wanneer dergelijke lieden al eerder op een zwarte lijst hebben gestaan of er nog steeds opstaan wegens fascistisch opruiend gedrag.

Het is ook een feit van algemene bekendheid dat LONSDALE in de Nederlandse context staat voor: “Laat Ons Nederlanders Samen De Allochtonen Langzaam  Executeren”.  In de overweging van de Haarlemse Rechtbank leest men tussen de regels door, dat het dragen van LONSDALE onder de omstandigheden als in de zaak beschreven, wel degelijk strafrechtelijk kunnen worden aangepakt. Bedoeld wordt hier artikel 137c Wetboek van Strafrecht. Het probleem blijft echter bestaan, dat de feitelijke betekenis van LONSDALE niet een afkorting betreft, doch een verwijzing naar het landgoed van een Engelse bokser. Desalniettemin wordt in de Nederlandse context de naam LONSDALE door sommige lieden doelbewust gebruikt om zich op  fascistische wijze te profileren jegens andere groepen mensen. Het opzettelijk gebruik van het merk LONSDALE als een dergelijke fascistische afkorting vormt naar mijn opinie een geschrift dat beledigend is voor Nederlanders van allochtone afkomst, en valt naar mijn mening onder de reikwijdte van artikel 137c Wetboek van Strafrecht. Wan-neer iemand dus met het oogmerk zich fascistisch te profileren doelbewust het merk LONSDALE draagt, ontstaat er op basis van feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden, dat deze persoon zich schuldig maakt aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 137c Wet-boek van Strafrecht.  

Toch kan men zich afvragen of het niet verstandig is om dit in de toekomst wel strafbaar te stellen onder de noemer van de desbetreffende Strafrechtelijke bepaling, nu men in Neder-land vaak wel het oogmerk heeft om LONSDALE als afkorting van een fascistische uitspraak te hanteren. Ook is van belang, dat men in deze strafbepaling aangeeft dat er ook gelet moet worden onder welke omstandigheden zo’n merk gedragen wordt. Zolang het dragen van LONSDALE (onder bepaalde omstandigheden) niet valt binnen de reikwijdte van een dergelijke strafbepaling, kunnen de politiediensten niet effectief genoeg optreden, tegen hen die het merk dragen met het oogmerk een fascistische boodschap uit te dragen.

Op basis hiervan kunnen opsporingsambtenaren dwangmiddelen toepassen jegens dergelijke personen.  Bepaalde bijzondere dwangmiddelen, zoals het aanhouden buiten heterdaad of het in verzekering stellen, kunnen normaliter niet plaatsvinden, nu er tegen deze verdachte geen voorlopige hechtenis mogelijk is, tenzij de verdachte geen vaste woon – of verblijfplaats heeft in Nederland.

Poederbrieven

De feiten

Op 17 oktober 2001 had Verdachte een op de centrale computer voor externe mail bij het Bedrijf A te Ridderkerk ingekomen e-mail-bericht, afkomstig van de aan dat bedrijf verbonden veiligheidsfunctionaris, met een daarbij gevoegd bestand met informatie over Anthrax, ter kennisgeving doorgezonden naar het interne mailadres van elk bij Bedrijf A werkzame werknemer. De desbetreffende e-mail is o.a. ontvangen door de Vestigingsleider van Bedrijf A, die kort daarna van de inhoud van het bericht en het daarbij behorende bestand kennis genomen had.

Verdachte had het e-mail-bericht vanaf de computer tevens geprint alsmede het bestand betreffende de informatie over Anthrax. Daarop had verdachte een ongefrankeerde envelop geadresseerd aan Bedrijf A ter attentie van de Vestigingsleider en had het geprinte exemplaar van het desbetreffende e-mail-bericht met het bijbehorende bestand in die envelop gestopt en daarna vervolgens de inhoud van 2 staafjes melkpoeder toegevoegd. Het was de bedoeling geweest van Verdachte om met deze envelop, bij wijze van grap, het kantoor van de vestigingsleider binnen te lopen en uit de envelop de melkpoeder te laten lekken en daarbij tegen de vestigingsleider te zeggen “Sterk, we hebben net een mailtje binnen en kijk eens wat ik binnenkrijg” of woorden van die strekking.  

Toen bleek dat de Vestigingsleider in gesprek was, had Verdachte de envelop met plakband dichtgeplakt en onbeheerd achtergelaten tegen een plint in de nabijheid van de deur van het kantoor van de Vestigingsleider. Verdachte had vervolgens zijn collega’s over de door hem met de Vestigingsleider uit te halen “grap” ingelicht.

Na afloop van de bespreking had de Vestigingsleider de aan hem gerichte envelop opgepakt en geconstateerd dat bij het oprapen een wit poeder van de envelop afdwarrelde en dat in de envelop datzelfde witte poeder en het hem bekende e-mail-bericht over Anthrax zat. Hij was op dat moment geschrokken en boos en had zich daarop met de envelop met inhoud tot het Hoofd van de administratie gewend, waarna de Vestigingsleider een zakje met melkpoeder op een schoteltje had gedaan en beiden die melkpoeder hebben vergeleken met het witte poeder in de envelop. Zowel de Vestigingsleider als het Hoofd van de administratie waren tot de conclusie gekomen dat het melkpoeder veel op het in de envelop aanwezige poeder leek.

De Vestigingsleider dacht aan een zieke grap, maar doordat hij niet 100% zeker was, had hij veiligheidshalve de envelop toch baar het politiebureau te Ridderkerk gebracht, zonder daar-aan binnen zijn bedrijf verdere ruchtbaarheid te geven. Bij het in het politiebureau aanwezige publiek en dienstdoende personeel was de vrees voor besmetting met Antrax ontstaan. Zodoende werden de nodige voorzorgmaatregelen getroffen, werd de technische recherche in-geschakeld en werd de zgn. GBO Noble Eagle in werking gesteld.

Het oordeel van de Arrondissementsrechtbank Rotterdam

Bij vonnis van 25 oktober 2001 van de Politierechter in de Rechtbank Rotterdam werd Verdachte op basis van de hierboven genoemde feiten veroordeeld voor het misdrijf bedreiging, strafbaar gesteld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van het Haagse Gerechtshof

Tegen dit vonnis ging de Raadsman van de Verdachte in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag. In tegenstelling tot de Politierechter kwam het Gerechtshof tot een geheel ander oordeel.

De vraag of bij de Vestigingsleider, die de envelop naar het politiebureau gebracht had, sprake was geweest van een bedreiging ex artikel 285 Sr diende naar oordeel van het Gerechtshof ontkennend te worden beantwoord. Het wettig en overtuigend bewijs, dat de Vestigingsleider zich daadwerkelijk bedreigd had gevoeld dan wel dat de handelswijze van Verdachte van dien aard was en onder zodanige omstandigheden had plaatsgevonden dat iemand in de positie van de Vestigingsleider zich bedreigd heeft kunnen voelen, zou niet geleverd zijn. Uit de aangifte en aanvullende aangifte zou volgens het Hof blijken dat hij in de eerste instantie schrok en boos was, vervolgens als snel dacht dat hij met een “zieke grap” te maken had en de envelop slechts naar het politiebureau had gebracht om het zekere voor het onzekere te nemen en geen onnodige paniek onder de medewerkers van Bedrijf A. Uit de aangifte en aanvullende aangifte zou volgens het Hof evenmin voortvloeien dat door de handelswijze van Verdachte ook bij een ander redelijk denkend mens in de positie van de Vestigingsleider op enig moment de vrees kon ontstaan voor een min of meer ernstige inbreuk op de persoonlijke veiligheid. De omstandigheden waaronder de envelop tegen een plint in de nabijheid van de deur van het kantoor van de Vestigingsleider was achtergelaten zou daarvoor immers te zeer wijzen in de richting van een buitengewoon misplaatste grap.

Wat betreft de medewerkers van het Bedrijf A kon worden vastgesteld, dat naast verdachte slechts diens 3 naaste collega’s op de hoogte waren geweest. Het Hof stelde, dat niet gebleken was, dat 2 van hen zich door de handelswijze van verdachte op enigerlei wijze bedreigd hebben gevoeld. Noch was er bewijs voor handen dat de derde persoon het in de envelop aanwezige poeder als eerste als melkpoeder meende te herkennen, noch was er bewijs voor handen dat de Vestigingsleider zich bedreigd gevoeld zou hebben dan wel onder die omstandigheden bedreigd had kunnen voelen.

Het antwoord op de vraag, of medewerkers van de politie, in het politiebureau aanwezige personen, medewerkers van GBO Noble Eagle en/of medewerkers van de technische recherche zich door de handelswijze van verdachte bedreigd hadden gevoeld of bedreigd hadden kunnen voelen, kan volgens het Gerechtshof in het midden blijven. Zou dit antwoord bevestigend hebben geluid, dan zou een dergelijk gevolg in een te ver verwijderd verband staan tot de handelswijze van de verdachte. Naar mening van het Hof kon en behoefde verdachte dit gevolg niet naar redelijkheid te voorzien en zou hij zich om die reden niet willens en wetens blootgesteld hebben aan de aanmerkelijke kans dat 1 of meerdere van deze personen zich bedreigd zou kunnen voelen.

Om die reden achtte het Gerechtshof het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en sprak de verdachte vrij.

Het cassatiemiddel   

Tegen dit oordeel ging de AG van het Gerechtshof in cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden en stelde 1 cassatiemiddel voor. Dit middel behelsde de klacht, dat het Gerechtshof de verdachte ten onrechte niet veroordeeld had voor het misdrijf bedreiging, strafbaar gesteld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad, i.t.t. Hof,  heeft geoordeeld dat er wel degelijk sprake was van een bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht en achtte om die reden de klacht van de AG terecht voorgesteld. Aan dit oordeel legde de Hoge Raad de volgende argumentatie ten grondslag. Volgens de Hoge Raad is voor een veroordeling niet vereist dat komt vast te staan dat bij de bedreigde persoon/personen daadwerkelijk de vrees voor aantasting van de persoonlijke vrijheid is opgewekt. Voldoende is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden geschiedde dat zij in het algemeen geschikt was de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. Tegen de achtergrond van hetgeen het Hof vastgesteld had omtrent de wereldwijd bestaande onrust over de via brieven en pakketten verspreide Antrax-bacterie, achtte de Hoge Raad de motivatie van Hof’s oordeel onbegrijpelijk.

(Putatieve) Noodweer arrest

Inleiding

In de nacht van 15 op 16 februari werd persoon A op verdenking van drugs door twee politieambtenaren van het Korps Haaglanden ter controle aangehouden. Alvorens de controle kon plaatsvinden had één der agenten (de schutter) gericht op persoon A geschoten en hem daarbij ernstig verwond. Omtrent dit incident bestaan twee lezingen.

De lezing van persoon A luidt. Persoon A beweert dat hij was aangehouden in het restaurant M, dat hij zich daarna gewillig naar buiten liet leiden, en dat hij zich niet verzet had tegen de controle. A geeft aan, dat toen zijn jas openviel de desbetreffende schutter de gesp van A’s riem zag die de vorm had van een pistool. Volgens A vroeg de schutter hem wat hij daar had en had hij A gesommeerd het neer te leggen. A beweert, dat hij daarop de riem losgemaakt had teneinde hem te kunnen neerleggen, en dat hij gezegd had dat het een riem was. Toen persoon A zag dat de schutter zijn dienstpistool trok en het op hem gericht hield, had hij tegen de schutter geroepen: “Niet schieten, niet schieten”. Vervolgens werd A toch door de schutter neergeschoten.

De lezing van Korps Haaglanden is daarentegen heel anders. Zij beweert namelijk, dat toen persoon A ter controle werd aangehouden zijn houding juist erg agressief was en dat hij zich hevig verzette tegen de controle. Hij scheen de hand van de schutter weggeslagen te hebben toen deze hem wilde meenemen naar het politiebureau. Daarbij was de jas van persoon A open gewaaid en meende de schutter een pistool te zien. De schutter had vervolgens gewezen op het “vuurwapen” en had aan persoon A gevraagd wat hij daar had. Volgens Haaglanden had A zijn jas dichtgeslagen, zijn hand op het “vuurwapen” gelegd en had hij diverse keren gezegd: “Ik ga jou doodschieten.” Dit laatste bleef persoon A herhalen terwijl hij zijn jas open deed en het “vuurwapen” en zijn handen beetpakte. Vervolgens zag de schutter, dat het wapen op hem werd gericht. Hierdoor voelde de schutter zich zodanig bedreigd en trok zodoende zijn wapen, waarbij hij tegen persoon A had geroepen “Doe normaal en doe dat ding weg”. Persoon A reageerde daar niet op doch bleef het “vuurwapen” op de schutter richten en roepen dat hij de schutter zou doodschieten. Vervolgens had de schutter 1 maal op persoon A geschoten.

Tussen de twee partijen staat nu vast, dat persoon A niet over een vuurwapen beschikte en dat hetgeen de schutter daarvoor aanzag de gesp was uitgevoerd in de vorm van een pis-tool.

De rechtsvraag luidt vervolgens of er aan de schutter een beroep op Noodweer toekomt?

Noodweer (exces)

Noodweer

De rechtvaardigingsgrond Noodweer (art. 41 lid 1 Sr) is een recht tegen onrecht. Een succesvol beroep hierop zal leiden tot verval van de wederrechtelijkheid; er zal vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging volgen afhankelijk van het feit of wederrechtelijkheid al dan niet een bestanddeel is van de delictsomschrijving.[1]

Om een geslaagd beroep op noodweer te kunnen doen, moet er aan een vijftal vereisten worden voldaan.

In de 1ste plaats moet er sprake zijn van een aanranding. Dit kunnen zowel een feitelijke aantasting van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed zijn, als de gedragingen die een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor opleveren (Zie HR 2 februari 1965, NJ 1965, 262 en HR 30 maart 1976, NJ 1976322). ‘Het alleen bevreesd zijn voor een aanranding recht-vaardigt nog geen verdedigingsactie’ (Zie HR 8 februari 1932, NJ 1932, 617,   HR 8 januari 1974, NJ 1974, 131 en HR 24 juni 1975, NJ 1976, 60).[2]

In de 2de plaats moet er sprake zijn van een ogenblikkelijke aanranding. ‘Een noodweer handeling is pas toegestaan vanaf het moment dat de aanranding is aangevangen of dadelijk dreigt te beginnen.’ Er kan niet meer van een verdediging worden gesproken bij een meer in de tijd verwijderde dreiging. Ook vervalt het verdedigingsrecht wanneer de aanranding een einde heeft genomen (Zie HR 26 april 1977, NJ 1978, 179). [3]

In de 3de plaats moet er sprake zijn van een wederrechtelijk aanranding. Volgens Wemes kan van een wederrechtelijk ogenblikkelijke aanranding slechts sprake zijn als die aanranding uitgaat van een persoon (Zie HR 29 maart 1988, NJ 1989, 162 en HR NJ 1989, 212) hetzij rechtstreeks, hetzij middellijk. [4]

In de 4de plaats dient er sprake te zijn van een noodzakelijke verdediging (proportionaliteit). Voor Noodweer dient er een evenwicht te bestaan in de verhouding tussen gekozen verdedigingsmiddel en het aangerande rechtsbelang. [5]

In de 5de plaats dient er sprake te zijn van een geboden verdediging (subsidiariteit). Volgens Kelk dient men voor de verdediging gebruik te maken van het minst belastende middel. [6]

Noodweerexces

De schulduitsluitingsgrond Noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr) is een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Een succesvol beroep hierop zal leiden tot verval van de schuld. Er zal vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging volgen, maar afhankelijk van het feit of de schuld al dan niet een bestanddeel is van de delictsomschrijving.[7]

Om een geslaagd beroep op Noodweerexces te kunnen doen, moet er aan de volgende tweetal vereisten worden voldaan. In de 1ste plaats dient er sprake te zijn van een Noodweersituatie. In de 2de plaats veronderstelt Noodweerexces een dubbele causaliteit; de aanval moet bij de aangevallene een hevige gemoedsbeweging veroorzaken; uit deze hevige gemoedsbeweging moet de excessieve reactie te verklaren zijn.[8]

Putatieve Noodweer(exces)

Volgens Wemes wordt er onder verstaan het geval dat men abusievelijk in de veronderstelling leeft zich te moeten verdedigen danwel zich te mogen verdedigen: het dreigend gevaar is ingebeeld of er bestaat een onjuiste opvatting over de uitleg van de noodweerregeling. Volgens Kelk verstaat echter onder putatieve noodweer(exces) de situatie, dat men zich op goede gronden aangerand waant, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is. Indien men inderdaad excuseerbaar dwaalt, dan kan men volgens hem een beroep doen op AVAS ter zake van putatieve noodweer(exces).[9]

Uit het bovenstaande blijkt, dat er dus in de doctrine geen eenstemmigheid bestaat over de vraag wanneer een Noodweer al dan niet als putatief moet worden bestempeld. Indien men de noodweerhandeling beziet vanuit het (subjectief) inzicht dat de dader van de situatie had tempori delicti, dan zal in meer gevallen van een noodweerachtige situatie kunnen worden gesproken, dan indien de situatie doorslaggevend wordt geacht zoals die (ex post) in (de objectieve) werkelijkheid bleek te hebben bestaan. Volgens Wemes wordt aangenomen dat de Rechter de nodige soepelheid in acht zal nemen en geneigd zal zijn enige subjectivering bij de beoordeling van de noodweersituatie te betrachten. Het zal er in de praktijk niet ver aflig-gen dat de Rechter als uitgangspunt zal nemen de voorstelling die de dader redelijkerwijs mag maken van de situatie waarin hij verkeert.[10]

De rechterlijke uitspraken

Het oordeel van de Rechtbank

In de 1ste plaats overwoog de Rechtbank,dat de schutter zich in een situatie bevond waarin hem een beroep op noodweer toekwam, aangezien hij in de geschetste omstandigheden kon en mocht oordelen dat zijn leven ernstig bedreigd was. Volgens de Rechtbank werd daardoor zijn handelen uit zelfverdediging gerechtvaardigd.

In de 2de plaats overwoog de Rechtbank, dat een mogelijke onjuiste waarneming van de politieambtenaren voor risico van persoon A diende te blijven, aangezien hij zich ’s nachts, dus bij donker zodat men aan heeft of bij zich draagt slecht zichtbaar is, in een zogenaamd noodgebied bevond met een riem om, waarvan de gesp zo vorm gegeven was dat die de in-druk wekte dat hij een vuurwapen bij zich droeg. De Rechtbank oordeelde dat persoon A zich zelf in de positie gebracht had, dat hij een controle toezichthoudende politieambtenaren er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat hij in het bezit was van een echt vuurwapen en hem op die wijze zou bejegenen.

Oordeel van het Gerechtshof

Het gerechtshof oordeelde, dat als uitgangspunt het volgende heeft te gelden. Een politieagent, die in de uitoefening van zijn functie een pistoolschot lost op een burger en deze daardoor verwondt, handelt onrechtmatig jegens de burger, tenzij daarvoor een rechtvaardiging bestond.

Het Korps Haaglanden beriep zich primair op een rechtvaardigingsgrond, omdat de schutter zou hebben gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41 lid 1 SV. Het beriep zich subsidiair op AVAS op grond van Putatieve Noodweer, omdat de schutter er redelijkerwijs vanuit mocht gaan, dat zijn leven werd bedreigd ook al was dat in feit niet het geval.

Het Hof oordeelde, dat het beroep van Korps Haaglanden op Noodweer in de zin van artikel 41 lid 1 SV faalt. Volgens het Hof was naar objectieve maatstaven gemeten van aanranding van het lichaam van de schutter of van dreiging daarmee geen sprake. Er zou namelijk vast-staan, dat persoon A niet beschikte over een vuurwapen en dat voor zover persoon A al heeft gedreigd, hij dit slechts had gedaan met het op een pistool gelijkende gesp van zijn riem.

Het Hof oordeelde, dat degene die onrechtmatig handelde terwijl hij dwaalde ten aanzien van de rechtmatigheid van zijn handelen of bevoegdheid, weliswaar in beginsel een onrechtmatige daad pleegde die hem krachtens in het verkeer geldende normen kan worden toegerekend, ook indien de dwaling op zich zelf verschoonbaar zou zijn. Dit zou volgens het Hof anders zijn, indien het slachtoffer zelf de dader op verwijtbare wijze in die dwaling had ge-bracht. Het Hof overwoog, dat de stellingen die Korps Haaglanden in verband met haar beroep op putatief Noodweer had aangevoerd en waarvan zij bewijs had aangeboden, zouden impliceren dat persoon A de dwaling van de schutter op verwijtbare wijze had veroorzaakt. Zo had Korps Haaglanden o.a. aangevoerd, dat persoon A zich tegen de controle verzette en zich agressief gedroeg, dat persoon A de schutter bedreigde met een sterk op een vuurwapen lijkende gesp van zijn riem, en dat persoon geroepen had dat hij de schutter zou doodschieten. Deze stellingen moet het Korps Haaglanden nog wel met de nodige bewijs onderbouwen.

Conclusie

De vraag wanneer een Noodweer al dan niet putatief is, is nog steeds een zeer moeilijk te beantwoorden vraag.

Bestudeert men de literatuur, dan komt men tot de conclusie, dat er onder de rechtsgeleerden nog steeds geen eenstemmigheid bestaat over de vraag wanneer een Noodweer al dan niet als putatief moet worden bestempeld. Indien men de noodweerhandeling beziet vanuit het (subjectief) inzicht dat de dader van de situatie had tempori delicti, dan zal in meer gevallen van een noodweerachtige situatie kunnen worden gesproken, dan indien de situatie doorslaggevend wordt geacht zoals die (ex post) in (de objectieve) werkelijkheid bleek te hebben bestaan. Volgens Wemes wordt aangenomen dat de Rechter de nodige soepelheid in acht zal nemen en geneigd zal zijn enige subjectivering bij de beoordeling van de noodweersituatie te betrachten. Het zal er in de praktijk niet ver afliggen dat de Rechter als uitgangspunt zal nemen de voorstelling die de dader redelijkerwijs mag maken van de situatie waarin hij verkeert.

Ook in de rechtspraak, ontbreekt er eenstemmigheid omtrent de vraag wanneer een Noodweer al dan niet als putatief mag worden betiteld, hetgeen gebleken is uit de zonet behandelde tweetal rechterlijke uitspraken. Neemt men de uitspraak van het Haagse Hof als maatstaf, dan leidt dit tot de volgende gevolgtrekkingen. Volgens het Hof slaagt het beroep op Noodweer slechts, wanneer naar objectieve maatstaven gemeten van aanranding van het lichaam van de dader of van een dreiging daarmee sprake is. Is dit niet het geval, dan kijkt men of er sprake was van een Putatieve Noodweer. Inzake de Putatieve Noodweer oordeelt het Hof in die casus het volgende. Degene die onrechtmatig handelt terwijl hij dwaalt ten aanzien van de rechtmatigheid van zijn handelen of bevoegdheid, pleegt weliswaar een on-rechtmatige daad die hem krachtens in het verkeer geldende normen kan worden toegerekend, ook indien de dwaling op zich zelf verschoonbaar zou zijn. Dit zou volgens het Hof anders zijn, wanneer het slachtoffer de dader op verwijtbare wijze in die dwaling had ge-bracht.De dader dient daarvoor stellingen aan te voeren, die hij met goed bewijsmateriaal heeft onderbouwd.

De uitspraak van het Haagse Hof is voor mij geen definitieve maatstaf, omdat ik een Noodweerhandeling liever bezie vanuit het (subjectieve) inzicht dat de dader van de situatie had tempori delicti, dan vanuit de situatie zoals die (ex post) in (de objectieve) werkelijkheid bleek te hebben bestaan. Daar er in de doctrine meerderen deze mening met mij delen en er zich binnen deze categorie van de doctrine ook vele leden van de rechterlijke macht bevinden, zal er dus ook in de toekomst binnen de Rechterlijke macht geen eenstemmigheid bestaan omtrent de vraag wanneer er sprake is van Noodweer dan wel Putatieve Noodweer. Er blijft dus nog een hoop onduidelijk, hetgeen soms in het voordeel van een opsporingsambtenaar kan werken, maar ook in het nadeel.


[1] Koopmans, F.A.J., Het beslissingsmodel van 348/ 350 Sv, p. 53 – 54

[2] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[3] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[4] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[5] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[6] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[7] Koopmans, F.A.J., Het beslissingsmodel van 348/ 350 Sv, p. 53 – 54

[8] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev

[9] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 284; Remmelink, p. 327-229;  Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 231

[10] Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 231

Noodweerexces met illegaal wapen – arrest

Inleiding

In deze zaak speelde zich het volgende af. K. had J. bedreigd met de dood indien J. zich met de relatie met diens vriendin zou bemoeien. J. wist dat K. als gevaarlijk bekend stond. Om die reden was J., zonder daartoe een vergunning te hebben, een geladen pistool bij zich gaan dragen om zich te kunnen verdedigen voor het geval dat K. hem zou aanvallen. Op 11 maart 2001 had verdachte K.’s vriendin ontmoet in een café en had haar omstreeks 3.00 uur thuisgebracht. J. had zijn auto op enige afstand van het huis geparkeerd en was de woning van K. en diens vriendin ingegaan, nadat deze vriendin hem had verzekerd dat K., met wei zij relatieproblemen had, 2 weken bij zijn broer logeerde en haar gezegd had haar gedurende deze periode met rust te laten. J. die nog over een sleutel van de woning beschikte, had de deur van de woning van binnen op het nachtslot gedaan, en was met de K.’s vriendin naar de slaapkamer op de eerste verdieping gelopen. Kort daarop had K. aangebeld; K.had daarna onmiddellijk de deur van de woning ingetrapt en was met een grote snelheid de trap opgelopen. Toen J. dit rumoer hoorde besefte hij dat K. de woning was binnengedrongen, en had zijn pistool uit zijn jas, die op de zonnebank in de slaapkamer lag, gepakt en dit doorgeladen. Inmiddels was K. boven aangekomen en had hij zijn vriendin met geweld opzij geduwd en kwam hij met een dolk in zijn hand de slaapkamer, waar J. zich bevond, binnen. J. had toen 2 maal kort achter elkaar in de richting van K. geschoten.

De essentiële vraag luidt hier of J. al dan niet een beroep op Noodweer(exces) ex artikel 41 Wetboek van Strafrecht toekomt.

Noodweer(exces)

Noodweer

De rechtvaardigingsgrond Noodweer (art. 41 lid 1 Sr) is een recht tegen onrecht. Een succesvol beroep hierop zal leiden tot verval van de wederrechtelijkheid; er zal vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging volgen afhankelijk van het feit of wederrechtelijkheid al dan niet een bestanddeel is van de delictsomschrijving.[1]

Om een geslaagd beroep op noodweer te kunnen doen, moet er aan een vijftal vereisten worden voldaan.

In de 1ste plaats moet er sprake zijn van een aanranding. Dit kunnen zowel een feitelijke aantasting van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed zijn, als de gedragingen die een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor opleveren (Zie HR 2 februari 1965, NJ 1965, 262 en HR 30 maart 1976, NJ 1976, 322). ‘Het alleen bevreesd zijn voor een aanranding recht-vaardigt nog geen verdedigingsactie’ (Zie HR 8 februari 1932, NJ 1932, 617,  HR 8 januari 1974, NJ 1974, 131 en HR 24 juni 1975, NJ 1976, 60).[2]

In de 2de plaats moet er sprake zijn van een ogenblikkelijke aanranding. ‘Een noodweer handeling is pas toegestaan vanaf het moment dat de aanranding is aangevangen of dadelijk dreigt te beginnen.’ Er kan niet meer van een verdediging worden gesproken bij een meer in de tijd verwijderde dreiging. Ook vervalt het verdedigingsrecht wanneer de aanranding een einde heeft genomen (Zie HR 26 april 1977, NJ 1978, 179). [3]

In de 3de plaats moet er sprake zijn van een wederrechtelijk aanranding. Volgens Wemes kan van een wederrechtelijk ogenblikkelijke aanranding slechts sprake zijn als die aanranding uitgaat van een persoon (Zie HR 29 maart 1988, NJ 1989, 162 en HR NJ 1989, 212) hetzij rechtstreeks, hetzij middellijk. [4]

In de 4de plaats dient er sprake te zijn van een noodzakelijke verdediging (proportionaliteit). Voor Noodweer dient er een evenwicht te bestaan in de verhouding tussen gekozen verdedigingsmiddel en het aangerande rechtsbelang. [5]

In de 5de plaats dient er sprake te zijn van een geboden verdediging (subsidiariteit). Volgens Kelk dient men voor de verdediging gebruik te maken van het minst belastende middel. [6]

Noodweerexces

  • Algemeen

De schulduitsluitingsgrond Noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr) is een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Een succesvol beroep hierop zal leiden tot verval van de schuld. Er zal vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging volgen, maar afhankelijk van het feit of de schuld al dan niet een bestanddeel is van de delictsomschrijving.[7]

  • Vereisten       

Om een geslaagd beroep op Noodweerexces te kunnen doen, moet er aan de volgende tweetal vereisten worden voldaan. In de 1ste plaats dient er sprake te zijn van een Noodweersituatie. In de 2de plaats veronderstelt Noodweerexces een dubbele causaliteit; de aanval moet bij de aangevallene een hevige gemoedsbeweging veroorzaken; uit deze hevige gemoedsbeweging moet de excessieve reactie te verklaren zijn.[8] In dit verband staat het mensbeeld van de ge-middelde normale mens centraal, waarbij het een algemene feit van algemene bekendheid is dat iedereen, hoe normaal reagerend doorgaans ook, wel eens door schrik of angst in een onverwachte heftige emotionele toestand terecht kan komen. Daarvoor moet dan wel een plausibele oorzaak zijn gelegen in de aanranding door een ander. Ook speelt eventueel de Gerantenstellung een rol bij de beoordeling van de Vraag of de noodweerexces inderdaad disculpeert. Tegen deze achtergrond beziet men het volgende verschil. Een caféhouder die bij een fikse ruzie in zijn café gaat schieten heeft niet snel een grond voor noodweerexces, omdat hij uit hoofde van zijn positie en ervaring geacht moet worden bij caféruzies het hoofd koel te houden en zich te beheersen, zodat hij de ruzie langs andere wegen zal weten te bedwingen. Daarentegen zal de persoon die in doodsangst voor zijn dominante broer op deze schiet omdat de politie, hoewel gewaarschuwd, niet arriveert eerde een beroep op noodweerexces hebben. [9]

  • Intensieve – en extensieve noodweer exces.

Men onderscheidt twee typen noodweerexces, te weten intensief – en extensief noodweer-exces.

Intensief noodweerexces houdt in, dat de aangevallene als gevolg van een hevige gemoedsbeweging direct te hard van stapel loopt en te zwaar afweergeschut in stelling brengt. Het ver-onderstelt dus het bestaan van een noodweer situatie, die er ook nog is op het moment van de excessieve reactie.

Een standaard voorbeeld is het arrest HR 23 oktober 1984, NJ 1986, 56 (Bijlmer noodweerarrest). In deze zaak speelde zich het volgende af. Een stewardess, wonende in een als ongunstig bekendstaande Amsterdamse buurt, was reeds eerder overvallen en had zich om die reden – zonder een vergunning daartoe te hebben – van een vuurwapen verzekerd. Toen ze door twee mannen werd overvallen verweerde zij zich door met het wapen te schieten, waardoor één der mannen werd gedood.

Het Hof had met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten geoordeeld: a) dat gebruik van het pistool (waarmee het Hof bedoelt het daarmee schieten) voor de verdachte geboden was ter verdediging van eigen lijf en goed tegen “een onmiddellijk dreigend gevaar”, dat naar mening van het Hof een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding opleverde; b) dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke zelfverdediging had overschreden, door R. in de borst en G. in de rechter long te schieten, doch dat dit schieten het onmiddellijke gevolg was geweest van een door het optreden van R. en G. veroorzaakte hevige gemoedsbeweging; en c) dat mitsdien het beroep op noodweerexces opging en de verdacht dus niet strafbaar was, waaraan de onwettigheid van het wapenbezit van de verdachte niet afdeed. Zodoende ontsloeg het Hof haar van alle rechtsvervolging ter zake van doodslag en poging tot doodslag wegens noodweerexces, echter veroordeelde haar tot 1 maand voorwaardelijk gevangenis-straf en een geldboete op grond van verboden wapenbezit.

De Procureur – Generaal bij het Hof was het oneens met dit oordeel, en ging in cassatie bij de Hoge Raad. Het cassatiemiddel richtte zich tegen de overweging van het Hof, volgens welke het (onwettig) vuurwapenbezit de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging weliswaar mogelijk heeft gemaakt maar dit niet wegneemt dat verdachte had gehandeld in noodweerexces en uit dien hoofde was verontschuldigd. Hij betoogde o.a. dat wie ‘’zich van een (geladen) vuurwapen voorziet en daarmee in een geladen toestand rondloopt, dusdoende een bijzondere verantwoordelijkheid aanvaardt om van dat vuurwapen slechts evenredig en gepast gebruik te maken’. Volgens hem had het Hof op te lichtvaardige wijze noodweerexces aangenomen nu aan de capaciteiten van de stewardess om met een vuur-wapen om te gaan ernstig moest worden getwijfeld.

De Hoge Raad sloot zich echter aan bij het oordeel van het Hof en  verwierp zodoende het ingediende cassatiemiddel..

Extensieve noodweerexces houdt in, dat de aangevallene, die zich aanvankelijk adequaat verdedigt, als gevolg van een hevige gemoedsbeweging ‘doorschiet’, zodat in feite de zelfverdediging overgaat in een aanval die verder strekt dan waar de noodweersituatie in feite om vraagt; de noodweersituatie kan zelfs al niet meer bestaan terwijl de hevige gemoedsbeweging met alle gevolgen van dien nog ten volle doorwerkt. Het veronderstelt dus, dat de excessieve reactie zich manifesteert als de aanranding is afgewend en de noodweersituatie die er aanvankelijk was, dus is opgehouden te bestaan.

Een standaard voorbeeld is het arrest HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 511 (Ruzie te Loon op Zand arrest). In dit arrest speelde zich het volgende af.. Iemand was door een andere persoon gericht tussen de benen getrapt en geraakt aan de binnenzijde van zijn linker bovenbeen, waarop hij in een pure reflex, ter afweer, terug had geslagen.

Het Hof  achtte het niet aannemelijk, dat deze persoon ter noodzakelijke verdediging had teruggeslagen aangezien er geen vrees bestond voor een (herhaalde) aanranding door de ander. De Hoge Raad daarentegen oordeelde dat daarmee de mogelijkheid was overgebleven dat het terugslaan door betrokkene het onmiddellijke gevolg was geweest van een hevige gemoedsbeweging welke weer door het aanvankelijke schoppen was veroorzaakt. 

De Rechterlijke uitspraken

Rechtbank 27 november 2001.

Bij vonnis van 27 november 2001 had de Rechtbank geoordeeld, dat de J. zich niet kon beroepen op noodweer. Aan dit oordeel legt de Rechtbank de volgende argumentatie ten grond-slag. Volgens de Rechtbank had J., door midden in de nacht en gewapend met pistool, met K.’s vriendin mee te gaan naar haar huis en meer in het bijzonder naar haar slaapkamer, bewust het risico genomen dat K. hem daar zou zien en hem daar zou aanvallen, waarna J. zich genoodzaakt zou voelen op K. te schieten. Nu J. bewust de confrontatie met K. had ge-zocht, kon hij zich dus niet op Noodweer beroepen.

De uitspraak van het Hof.

Het Hof daarentegen acht, dat J. niet uit is geweest op een confrontatie met K. Dit had het Hof afgeleid uit de omstandigheden dat J. zijn auto op enige afstand van de woning geparkeerd had, zich er nadrukkelijk van vergewist had dat K. diens vriendin met rust zou laten en haar dus niet zou komen opzoeken en hij zekerheidshalve, hoewel J. ervan uit mocht gaan dat K. niet langs zou komen, de deur op het nachtslot had gedraaid.

Het Hof achtte het enkele feit dat J. met K’s vriendin de woning was binnengegaan en daarbij zijn (geladen) pistool had meegenomen niet zodanig onvoorzichtig, laat staan rechtens laakbaar, dat hem op die basis een beroep op noodweer moest worden ontzegd. Daarbij nam het Hof in aanmerking, dat een andere opvatting zou impliceren dat een jaloers en gewelddadige minnaar zou kunnen bewerkstelligen dat het object van zijn jaloezie in een sociaal isolement terechtkomt, omdat andere uit vrees voor zijn jaloezie en agressie haar links zou-den laten liggen, (mede) omdat zij zich tegen die agressie, indien noodzakelijk, niet zou mogen verdedigen. Volgens het Hof maakte de enkele omstandigheid dat J. zich ter noodzakelijke verdediging tegen een mogelijke aanval tevoren van een illegaal wapen had voorzien, zulks niet anders.

Het Hof achtte aannemelijk dar er sprake was van een onmiddellijke dreigende wederrechtelijke aanranding door K. Op het moment dat J. schoot, was K. hem genaderd tot een afstand van ongeveer 0,5 tot 1,5 meter met een dolkmes in zijn hand. J. bevond zich in een kleine ruimte zonder andere uitgang dan de deur en kon geen kant op. Hij had dus geen andere mogelijkheid om zich tegen die onmiddellijk dreigende aanranding te verdedigen dan door in de richting van K. te schieten. Dit oordeel wijzigde niet nu K. was overleden als gevolg van een schotwond in de linkerkant van zijn rug.

Het Hof was evenwel van oordeel, dat J. had nagelaten alternatieve middelen te beproeven om de onmiddellijk dreigende aanval van het slachtoffer te pareren, immers J. had direct in de richting van K. geschoten. Volgens het Hof had J. eerst een waarschuwingsschot moeten lossen en, indien dat niet afdoende was, K. in een minder vitaal lichaamsdeel, bijvoorbeeld zijn been, had moeten schieten. J. had de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden, door in de richting van K. te schieten zonder zich te bekommeren waar hij dit zou raken. Om die reden werd door het Gerechtshof Den Haag het beroep op Noodweer verworpen.

Door het Hof werd wel Noodweerexces aangenomen. Aannemelijk was namelijk geworden, dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke ge-volg was geweest van een hevige gemoedsbeweging van J. die door de onmiddellijke dreigende wederrechtelijke aanranding van K. was veroorzaakt. J. was volledig in paniek geraakt toen K. met geweld de woning binnenkwam en dreigend met een mes op J., die geen kant meer op kon, afliep.

De uitspraak van de Hoge Raad.

Tegen het oordeel van het Haagse Hof werd vervolgens in Cassatie gegaan bij de Hoge Raad der Nederlanden. Het middel behelsde de klacht, dat het Hof ten onrechte het door J. gedane beroep op noodweerexces had gehonoreerd, nu J. zich doelbewust had begeven in een situatie waarin hij het risico van een aanval kende, althans daarmee ernstig rekening hield.

Volgens A-G Fokkens betekende de enkele omstandigheid dat J. zich bewust was van het risico van een aanval van K. niet dat J. een beroep op noodweer(exces) verspeelt, door zich in een situatie te begeven waar dat risico zich wellicht zou kunnen voordoen. Volgens de A-G is immers cruciaal of verdachte door zijn handelen de confrontatie bewust had opgezocht dan wel het gevecht geïnitieerd had.

Ook oordeelde Fokkens, dat de omstandigheid, dat J. zich illegaal had voorzien van een vuurwapen, niet in de weg stond aan een beroep op noodweerexces. .

De Hoge Raad oordeelde, dat het oordeel van het Hof’ niet uitging van een onjuiste rechtsop-vatting.

Conclusie

Komt een verdachte een beroep op Noodweer(exces) toe ex artikel 41 Wetboek van Strafrecht, ondanks het feit dat hij gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen, zonder daartoe een vergunning te hebben? Het betreft hier een kwestie die centraal stond in het Bijlmer Noodweer, en tevens centraal staat in Noodweer met illegaal wapen.

In Bijlmer Noodweer betrof het een stewardess, wonende in een als ongunstig bekendstaande Amsterdamse buurt, was reeds eerder overvallen en had zich om die reden – zonder een vergunning daartoe te hebben – van een vuurwapen verzekerd.

In Noodweer met illegaal wapen daarentegen had het slachtoffer verdachte met de dood bedreigd indien verdachte zich met de relatie met diens vriendin zou bemoeien. Verdachte wist dat het slachtoffer als gevaarlijk bekend stond. Om die reden was verdachte, zonder daartoe een vergunning te hebben, een geladen pistool bij zich gaan dragen om zich te kun-nen verdedigen voor het geval dat het slachtoffer hem zou aanvallen.

Wat betreft het beroep op de strafuitsluitingsgronden Noodweer en Noodweerexces wordt er op een soortgelijke wijze door het Hof en de Hoge Raad geredeneerd. Er werd vanuit gegaan, dat er sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar, die een ogenblikkelijk wederrechtelijke aanranding opwekte, maar dat een beroep op de rechtvaardigheidsgrond Noodweer niet gehonoreerd kon worden, nu verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging had overschreden. Desalniettemin werd in beide zaken wel het beroep op Noodweerexces gehonoreerd, nu aannemelijk was geworden, dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg was geweest van een hevige gemoedsbeweging van verdachte die door de onmiddellijke dreigende wederrechtelijke aanranding van het (de) slachtoffer(s) was (waren) veroorzaakt. Volgens het Hof en de Hoge Raad maakte de enkele omstandigheid dat verdachte zich ter noodzakelijke verdediging tegen een mogelijke aanval tevoren van een illegaal wapen had voorzien, zulks niet anders.


[1] Koopmans, F.A.J., Het beslissingsmodel van 348/ 350 Sv, p. 53 – 54

[2] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[3] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[4] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[5] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[6] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[7] Koopmans, F.A.J., Het beslissingsmodel van 348/ 350 Sv, p. 53 – 54

[8] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev

[9] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

EnglishTurkeyFrenchDutchPolandEurope