BIBOB-screening en vastgoedtransacties

Welke vastgoedtransacties vallen onder het bereik van de Wet BIBOB?

In gevolge artikel 1, eerste lid onder o, van de Wet BIBOB wordt een vastgoedtransactie gedefinieerd als een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:

  • het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;
  • huur of verhuur;
  • het verlenen van een gebruiksrecht; of
  • de deelname aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of die onroerende zaak huurt of verhuurt.

Voor het begrip vastgoed heeft de wetgever aansluiting gezocht bij het juridische begrip onroerende zaak uit het Burgerlijk wetboek. Dientengevolge vallen bepaalde registergoederen die roerende zaken zijn zoals schepen, buiten de reikwijdte van de Wet BIBOB. Grondtransacties vallen echter wel onder de reikwijdte van de Wet BIBOB. Het begrip onroerende zaak omvat dus de grond en de gebouwen op deze grond.

Onderdeel 1° van artikel 1, eerste lid onder o, van de Wet BIBOB heeft betrekking op het recht op eigendom en de zakelijke rechten zoals het recht van opstal, het appartementsrecht en het recht van erfpacht. In de vastgoedpraktijk van gemeenten, provincies en het Rijk komen niet alleen vastgoedtransacties voor ter zake van vol eigendom of erfpacht, maar ook ter zake van appartementsrechten, opstalrechten of combinaties daarvan. Bij dit laatste kan gedacht worden aan de ontwikkeling van een vastgoedobject met verschillende functionaliteiten waarbij het object bijvoorbeeld bestaat uit woningen met een recht van erfpacht, een parkeergarage waarvoor een opstalrecht wordt gevestigd en een museum waarvoor een recht van erfpacht wordt uitgegeven, vervolgens gesplitst in appartementsrechten.

Onderdeel 3° van artikel 1, eerste lid onder o, van de Wet BIBOB heeft betrekking op het recht op gebruik. Hiervan wordt voornamelijk door gemeenten gebruik gemaakt als een gebied of object op termijn ontwikkeld gaat worden. De gebruiker krijgt dan tijdelijk het recht tot gebruik van het vastgoed tegen betaling van een gebruiksvergoeding om de onkosten te dekken. Voor deze situaties is een huurovereenkomst met de behorende huurtermijnen en bescherming niet geëigend.

Onderdeel 4° van artikel 1, eerste lid onder o, van de Wet BIBOB heeft heeft betrekking op de deelname in een rechtspersoon, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap of een combinatie daarvan, waarmee rechten op vastgoed worden verkregen of vervreemd. Gedacht kan worden aan de NV Havengebouw, NV Zeedijk  en de CV/BV Beurs van Berlage in de gemeente Amsterdam. Ook bij zogenaamde PPS-constructies (publiek private samenwerking) ter zake van gebiedsontwikkeling worden dergelijke deelnames vaak gebruikt. Gedacht kan worden aan de NV Zuidas.

Wanneer kan een BIBOB-advies worden aangevraagd?

Ingevolge artikel 5a van de Wet BIBOB kan een rechtspersoon met een overheidstaak het Landelijk Bureau BIBOB om advies vragen. Een rechtspersoon met een overheidstaak kan het Landelijk Bureau BIBOB om een advies vragen over een natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie wordt of is aangegaan: (1) alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie; (2) in het geval dat bij een vastgoedtransactie is bedongen dat de overeenkomst kan worden opgeschort of ontbonden dan wel de rechtshandeling kan worden beëindigd indien zich één van de situaties, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet BIBOB, voordoet, alvorens zich op die opschortende of ontbindende voorwaarde te beroepen.

Ingevolge artikel 5a van de Wet BIBOB wordt aan rechtspersonen met een overheidstaak de bevoegdheid gegeven om bij het aangaan van een vastgoedtransactie een advies aan het Landelijk Bureau BIBOB te vragen. Dit advies kan worden gevraagd voorafgaand aan het aangaan van een vastgoedtransactie, dat wil zeggen voor het definitief afsluiten van een overeenkomst of het verrichten van een rechtshandeling. In dat geval wordt het advies pas aangevraagd als de onderhandelingen in een vergevorderd stadium zijn.

Een negatief advies kan dan leiden tot het niet aangaan van de overeenkomst of de rechtshandeling. Ook is het mogelijk dat een opschortende of een ontbindende voorwaarde wordt opgenomen in een overeenkomst of dat de rechtshandeling kan worden beëindigd indien zich een voorwaarde voordoet. In dit geval wordt het advies aangevraagd nadat het contract is afgesloten of de rechtshandeling is verricht. Een negatief advies kan dan leiden tot opschorting of ontbinding van de overeenkomst of beëindiging van de rechtshandeling. De  wet laat in het midden welke gevolgen aan een eventuele ontbinding van de overeenkomst of beëindiging van de rechtshandeling dienen te worden verbonden. Het ligt in de rede dat de overeenkomst respectievelijk de rechtshandeling hiervoor een nadere uitwerking bevat. De rechtspersoon met een overheidstaak is gehouden om tevoren duidelijk te maken aan de hand van welke criteria hij bepaalt of het BIBOB-instrumentarium zal worden ingezet, zulks met het oog op de kenbaarheid. In de algemene voorwaarden kan worden opgenomen dat een BIBOB-toets, met het oog op deze criteria, kan worden uitgevoerd. Ingevolgde artikel 32 van de Wet BIBOB dient de betrokkene op de hoogte te worden gesteld van het feit dat bij het Landelijk Bureau BIBOB om een advies wordt verzocht. In de definitiebepaling van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BIBOB is aangegeven welke rechtspersonen met een overheidstaak een BIBOB-advies kunnen aanvragen. Dit zijn dezelfde rechtspersonen die bij aanbestedingen BIBOB kunnen toepassen.

Waar wordt onderzoek naar gedaan?

Het Landelijk Bureau BIBOB adviseert over de mate van gevaar dat de vastgoedtransactie wordt gebruikt om crimineel verkregen vermogen te benutten en over de mate van gevaar dat de onroerende zaak wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het gevaar wordt bij vastgoedtransacties op dezelfde manier bepaald als bij vergunningen.

Het Landelijk Bureau BIBOB zal in het advies of tijdens de ondersteuning na het uitbrengen daarvan niet kunnen beoordelen of de onderhandelingen rechtmatig kunnen worden afgebroken of een overeenkomst kan worden ontbonden. Los van het feit dat deze kwestie buiten de taakomschrijving en buiten de formele expertise van het Landelijk Bureau BIBOB valt, hangt bijvoorbeeld het rechtmatig afbreken van onderhandelingen onder meer af van de wijze waarop de partijen zich jegens elkaar hebben gedragen. Aangezien het Landelijk Bureau BIBOB niet aanwezig is geweest bij die onderhandelingen, kan het zich over het gevolg van een BIBOB-procedure geen oordeel vormen.

Contractsvrijheid

Waar bij vergunningen geldt dat deze in beginsel verleend dient te worden, tenzij er sprake is van een weigeringsgrond in een wettelijke regeling, staat bij vastgoedtransacties het uitgangspunt van de contractsvrijheid voorop. Dit impliceert dat het de partijen in beginsel vrij staat om een overeenkomst aan te gaan met wie zij willen, op welk moment zij dat doen en om te bepalen wat de inhoud van de overeenkomst is.

Begrenzing

De contractsvrijheid is echter niet absoluut en wordt voor de overheid beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Artikel 3:14 BW bepaalt dat een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, niet mag worden uitgeoefend in strijd met de geschreven of ongeschreven regels van het publiekrecht. Volgens de Hoge Raad dient een overheidslichaam bij de uitoefening van zijn bevoegdheden uit een erfpachtverhouding bijvoorbeeld het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen. Overige relevante beginselen zijn onder meer het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ingevolgde het motiveringsbeginsel dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. Het niet-aangaan van een overeenkomst zal daarom diene te owrde gemotiveerd door de rechtspersoon met overheidstaak. In de Wet BIBOB wordt deze motiveringsplicht nog een benadrukt, doordat de betrokkene expliciet het recht op het geven van een zienswijze heeft, indien de overeenkomst niet zou worden aangegaan (artikel 33 Wet BIBOB). Ingevolge het zorgvuldigheidsbeginsel vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtspersoon met overheidstaak die ervoor kiest geen overeenkomst aan te gaan op basis van het eigen onderzoek of na een BIBOB-advies, zal de beslissing dus zorgvuldig moeten voorbereiden.

Daarnaast geldt voor alle partijen (dus niet alleen voor overheidsinstanties) een aantal beperkingen met betrekking tot de inhoud van een vastgoedtransactie. Een rechtshandeling die strijdig met de goede zeden, de openbare orde of met een dwingende wetsbepaling is, is nietig dan wel vernietigbaar. Bovendien kan een bepaling buiten toepassing blijven, indien de gevolgen daarvan in de concrete omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Afbreken van onderhandelingen en de Wet BIBOB

Met het oog op het beginsel van de contractsvrijheid heeft de wetgever opengelaten welk gevolg er aan een BIBOB-advies kan worden verbonden. Voor het antwoord op die vraag is de rechtspersoon met overheidstaak aangewezen op de regels van het verbintenissenrecht, inclusief de relevante jurisprudentie.

Met andere woorden: de conclusie over de mate van gevaar (al dan niet onderbouwd door een advies van het Landelijk Bureau BIBOB) hoeft niet doorslaggevend te zijn bij de beslissing omtrent het aangaan van de vastgoedtransactie. Die beslissing dient primair genomen te worden tegen de achtergrond van de regels van het leerstuk van de pre-contractuele fase en pre-contractuele aansprakelijkheid. Kort samengevat houden deze in dat de onderhandelende partijen zich jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, hetgeen meebrengt dat zij hun gedrag mede dienen te laten bepalen door elkaars gerechtvaardigde belangen. Dit kan impliceren dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is, omdat de wederpartij het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat de overeenkomst tot stand zou komen. Of dat zo is, hangt af van het verloop van de onderhandelingen en de mate waarin de afbrekende partij aan het vertrouwen heeft bijgedragen. Voor zover er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, kan de afbrekende partij bijvoorbeeld worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de wederpartij.

In hoeverre onderhandelingen als gevolg van een BIBOB-procedure kunnen worden afgebroken, hangt dus af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang is of de wederpartij tijdig op de hoogte is gesteld dat Wet BIBOB zou worden toegepast en wist onder welke omstandigheden en bij welke uitkomsten van het BIBOB-onderzoek de onderhandelingen konden worden afgebroken.

Tegen deze achtergrond is het niet ondenkbaar dat een BIBOB-advies met een ernstig gevaar conclusie onder bepaalde omstandigheden onvoldoende grondslag biedt om de onderhandelingen af te breken, bijvoorbeeld indien de rechtspersoon met overheidstaak steeds de indruk heeft gewekt dat de overeenkomst hoe dan ook tot stand zou komen.

Anderzijds is het verdedigbaar dat onder bepaalde omstandigheden de onderhandelingen wel rechtmatig worden afgebroken na een BIBOB-advies met een mindere mate van gevaar conclusie. Omdat een dergelijk rechtsgevolg niet vanzelfsprekend is, rust er een zware motiveringsplicht op de rechtspersoon met overheidstaak; er zal aannemelijk dienen te worden gemaakt dat er zwaarwegende redenen zijn om de vastgoedtransactie niet aan te gaan. Eenzelfde afweging geldt voor de situatie dat het advies strekt tot geen gevaar, terwijl uit dat advies feiten blijken die vanwege het strikte kader van artikel 3 Wet BIBOB niet bijdragen aan de mate van gevaar, maar naar het oordeel van de rechtspersoon met overheidstaak wel een substantieel integriteitsrisico vormen. Er zal dan overtuigend gemotiveerd dienen te worden dat en waarom het redelijk is om de transactie niet aan te gaan. Bovendien moet deze mogelijkheid in een vroeg stadium van de onderhandelingen gecommuniceerd worden.

Om te voorkomen dat onderhandelingen onrechtmatig worden afgebroken, verdient het aanbeveling om een BIBOB-beleidsregel op te stellen, waarin duidelijkheid wordt verschaft over de wijze waarop de Wet BIBOB dient te worden toegepast.

Verklaring omtrent het gedrag – Toetsing aan Algemene Screening Profielen

Toetsing aan Algemene Screening Profielen

01 Informatie

Het risicogebied informatie beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich kunnen voordoen indien men in een functie of bezigheid toegang heeft tot systemen dan wel tot informatie. Het betreft hier de bevoegdheid tot het raadplegen en/of het bewerken van deze systemen.Onder dit risicogebied valt ook het omgaan met gevoelige dan wel vertrouwelijke informatie. Voorts betreft dit het toegang hebben tot of kennis dragen van veiligheidssystemen, controlemechanismen en verificatieprocessen.
Indien men het beheer heeft over of bijzondere bevoegdheden heeft bij systemen, bestaat het risico dat deze systemen misbruikt worden voor de verspreiding van bijvoorbeeld kinderpornografie. Bij het omgaan met gevoelige dan wel vertrouwelijke informatie kan deze informatie misbruikt worden, bijvoorbeeld om iemand te chanteren. Bedrijfs- of beroepsgeheimen kunnen worden gestolen of informatie kan worden gelekt. Bedrijfsprocessen kunnen worden ontregeld door bijvoorbeeld vernieling of sabotage.

02 Geld

Het risicogebied geld beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen indien men in een functie of bezigheid de beschikking heeft over geld. Onder dit risicogebied valt het omgaan met contante en/ of girale gelden en/of (digitale) waardepapieren en het hebben van budgetbevoegdheden.
Bij dit risicogebied wordt gescreend op onder andere het risico van diefstal en verduistering. Verder bestaat het risico van vervalsen en het risico van witwassen.

03 Goederen

Het risicogebied goederen beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen bij het bewaken van productieprocessen en bij het beschikken over goederen. Onder dit laatste wordt ook verstaan het laden en lossen, het inpakken en het opslaan van goederen. Verder valt onder dit risicogebied het voorhanden hebben van stoffen, objecten of voorwerpen, die bij oneigenlijk of onjuist gebruik een risico vormen voor mens (en dier).
Bij het bewaken van productieprocessen kunnen risico’s zich verwezenlijken door het onzorgvuldig omgaan met voedingsmiddelen, chemicaliën of andere stoffen, hetgeen een risico voor de volksgezondheid betekent. Door vernieling of sabotage bestaat het risico dat bedrijfsprocessen worden ontregeld waardoor de (economische belangen) van bedrijven kunnen worden geschaad. Het beschikken over goederen kan risico’s met zich meedragen die tot uitdrukking kunnen komen in diefstal of verduistering, vernieling of vervalsing van goederen. Maar ook misbruik ten eigen bate en het in gevaar brengen van goederen valt er onder.
Door oneigenlijk of onjuist gebruik van stoffen, voorwerpen of objecten kan de veiligheid en het welzijn van personen en dieren in gevaar worden gebracht en bestaat onder meer het risico van milieudelicten.

04 Diensten

Het risicogebied “diensten” beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen indien kennis en bevoegdheden, voortvloeiend uit deze dienstverlening, worden misbruikt. 
Dienstverlening zoals advies, schoonmaak, catering en onderhoud valt onder dit risicogebied. Afhankelijk van de aard en de locatie van de dienstverlening kan het risico van verduistering, diefstal, milieudelicten of het misbruik van vertrouwelijke informatie aanwezig zijn. Indien sprake is van klantcontact, bestaat tevens het risico van gewelds- en zedenmisdrijven. Het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving valt ook onder dit risicogebied. Hierbij vindt het klantcontact in de persoonlijke woon- en leefomgeving plaats.

05 Zakelijke contracten

Het risicogebied zakelijke transacties beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen bij het aangaan en het onderhouden van zakelijke contacten. Dit risicogebied omvat onder andere overleg over offertes, advisering en bemiddeling, het voeren van onderhandelingen en het afsluiten van contracten.
Het gevaar is aanwezig van omkoping, verduistering en chantage (afdreiging). Bedrijfs- of beroepsgeheimen kunnen worden gestolen en informatie kan worden gelekt.

06 Proces

Het risicogebied proces beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen indien macht over processen wordt misbruikt. Onder dit risicogebied vallen werkzaamheden zoals het onderhouden, ombouwen en bedienen van (productie)machines, apparaten en voertuigen. Daarnaast valt onder dit risicogebied het (rijdend) vervoer van goederen, productie, post en pakketten, anders dan het intern transport binnen het bedrijf. Het vervoer van personen valt ook onder dit risicogebied.
Als gevolg van sabotage en vernieling kunnen vitale bedrijfsprocessen worden ontregeld. De veiligheid van personen en goederen kan hierdoor in gevaar worden gebracht.
Bij het rijdend vervoer van grondstoffen en producten en het bezorgen van post en pakketten bestaat het gevaar van diefstal, verduistering en verkeers(gerelateerde) delicten.
Bij het vervoer van personen bestaat de mogelijkheid van het in gevaar brengen van personen door bijvoorbeeld het overschrijden van de maximum snelheid, rijden onder invloed, agressief rijgedrag of overige verkeers(gerelateerde) delicten. Bij het vervoer van personen is tevens het risico aanwezig van diefstal en gewelds- en zedendelicten.

07 Aansturen organisatie

Het risicogebied aansturen organisatie beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen indien macht over organisaties en de daaraan verbonden personen wordt misbruikt. Dit risicogebied omvat het aansturen van medewerkers en het aansturen van de organisatie. Managers, bedrijfsleiders en filiaalhouders vallen onder dit risicogebied.
Door de positie van deze functionarissen in de organisatie bestaat het gevaar van misbruik van bevoegdheden zoals afpersing, diefstal, verduistering en valsheid in geschrifte. Als gevolg van een onjuiste of onzorgvuldige bedrijfsvoering kan de veiligheid en het welzijn van personen in gevaar gebracht worden.

08 Personen

Het risicogebied personen heeft tot doel om de kwetsbaren in de samenleving te beschermen. Kwetsbare personen zijn minderjarigen en hulpbehoevenden, zoals ouderen en gehandicapten.
Personen die werkzaam zijn met minderjarigen zijn belast met de zorg en het welzijn van deze minderjarigen. Zij kunnen in een één-op-één relatie komen te verkeren met minderjarigen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. In deze relatie kan sprake zijn van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Bovendien hebben deze personen een voorbeeldfunctie en kunnen zij invloed uitoefenen op de aan hen toevertrouwden door middel van hun gedragingen, waardoor bijvoorbeeld vermogensdelicten en overtredingen van de Opiumwet niet met de functie zijn te verenigen. Indien men in de uitoefening van de functie met minderjarigen in aanraking komt, bestaat het gevaar van machtsmisbruik. Het risico van zeden- en geweldsdelicten is aanwezig. Ook het gevaar van afpersing of chantage is aanwezig.
Personen die werkzaam zijn in de omgeving van hulpbehoevenden hebben een vertrouwenspositie. Het risico bestaat dat deze personen misbruik maken van hun bevoegdheden en het in hun gestelde vertrouwen. Eveneens bestaat het gevaar van machtsmisbruik. Het risico van zeden- en geweldsdelicten is ook in dit geval aanwezig. Datzelfde geldt voor het gevaar van afpersing of chantage (afdreiging). Hulpbehoevenden zouden in aanraking kunnen komen met verboden verdovende middelen en eigendommen van deze personen zouden kunnen worden gestolen of verduisterd.

Weigering Verklaring omtrent het gedrag voor het profiel: Politieke Ambtsdrager

Dit screeningsprofiel geldt voor alle aspirant-volksvertegenwoordigers, -wethouders en -gedeputeerden. Onder volksvertegenwoordigers worden in deze verstaan (aspirant)leden van de Eerste en Tweede Kamer, het Europees Parlement, raads- en statenleden en het algemeen bestuur van waterschappen. Bij de toets aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijk-termijn van tien jaren.
Om de integriteit van (potentiële) volksvertegenwoordigers, -wethouders en -gedeputeerden zo goed mogelijk te borgen is gekozen voor een screeningsprofiel, waarin een hoge mate van integriteit beoordeeld wordt. Aspirant-volksvertegenwoordigers zijn belast met vertegenwoordiging van het volk en vervullen in die hoedanigheid een controlerende functie ten opzichte van het (dagelijks) bestuur en zijn belast zijn met het maken van (initiatief) wetten. Aspirant-wethouders en -gedeputeerden geven sturing aan beleidsvorming op specifieke terreinen en dragen verantwoordelijkheid voor de begroting. Compromitterende situaties moeten worden vermeden, want deze doen afbreuk aan het gezag en vertrouwen. Gezag en vertrouwen zijn de pijlers waarop de positie van volksvertegenwoordigers, wethouders en gedeputeerden is gefundeerd. Om die reden worden zeer hoge eisen gesteld aan de betrouwbaarheid van personen die in aanmerking willen komen voor een dergelijke functie. Derhalve wordt verwacht dat zij terdege strafrechtelijk integer zijn.
Een (aspirant) volksvertegenwoordiger, wethouder of gedeputeerde heeft een bijzondere positie ten opzichte van zijn/haar medeburgers. Door een niet-integere houding kan misbruik worden gemaakt van -en afbreuk worden gedaan aan- deze bijzondere positie. Hierom wordt van hen strikte naleving van de wettelijke voorschriften verlangd.
Eén van de kenmerken van de functie van aspirant-volksvertegenwoordiger, -wethouder en -gedeputeerde is dat wordt omgegaan met zeer gevoelige informatie. Het omgaan met gevoelige informatie brengt het risico met zich mee van misbruik van gegevens, onzorgvuldig omgaan met gegevensdragers, het lekken van informatie, afpersing, afdreiging, vervalsing etc. Als politicus bestaat ook het gevaar van omkoping of door de verkregen informatie zichzelf een voordeel te verschaffen.Indien blijkt dat de aspirant-volksvertegenwoordiger, -wethouder of -gedeputeerde in de voorgeschreven terugkijk-termijn voorkomt en/of is veroordeeld voor feiten die verband houden met de functieaspecten geld, goederen en/of personen zegt dat in negatieve zin iets over zijn/haar kwetsbaarheid en integriteit om als politieke ambtsdrager op te kunnen treden.

Wettelijk kader

Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna WJSG) bepaalt dat een VOG wordt afgegeven als er na onderzoek niet is gebleken van bezwaren tegen de aanvrager. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Ook worden de belangen van betrokkene meegewogen. 
Artikel 35 van de WJSG bepaalt dat de afgifte van een VOG wordt geweigerd als in de justitiële documentatie over de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien het zou worden herhaald, een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan. Dit vanwege het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval. 
Artikel 36 van de WJSG bepaalt dat in het onderzoek kennis kan worden genomen van alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie van de aanvrager en van gegevens uit de politieregisters. Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens bepaalt dat veroordelingen, transacties, openstaande strafzaken en sepots worden aangemerkt als justitiële gegevens. 
De Beleidsregels VOG-NP-RP-2013, STCRT 1 maart 2013, nr. 5409 (hierna de beleidsregels) bevatten nadere regels over het beoordelen van aanvragen voor een VOG.

Beoordeling van de aanvraag

Voor de beoordeling van een aanvraag geldt een terugkeertermijn van vijf (5) jaren. Indien iemand binnen deze terugkeertermijn voorkomt in de justitiële documentatie, zal de Staatssecretaris diens gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS ontvangen. Indien iemand binnen de van toepassing zijnde terugkeertermijn voorkomt in het JDS worden ingevolge paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkeertermijn liggen bij de beoordeling betrokken. Aan zulke strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkeertermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig ten grondslag te worden gelegd aan de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Objectieve- en Subjectieve Criteria

De beoordeling van een aanvraag om toewijzing van een VOG begint met toetsing aan het objectieve criterium. Het gaat erom of de justitiële gegevens die zijn aangetroffen in het JDS van de aanvrager, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien aan het objectieve criterium zou zijn voldaan, is in beginsel de grondslag voor weigering van de VOG gegeven.
Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt vervolgens bezien of in de omstandigheden van het geval aanleiding behoort te worden gezien om toch over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Bij de beoordeling wordt gekeken naar het tijdsverloop sinds iemand met justitie in aanraking is gekomen. Hoe recenter dit justitiecontact is, hoe zwaarder het wordt meegewogen in de beoordeling.

Weigering Verklaring omtrent het gedrag voor het profiel: Gezondheidszorg

Onder het screeningsprofiel “gezondheidszorg en welzijn van mens en dier” vallen zowel beroepen in de intramurale als de extramurale zorg.
Functionarissen in dit screeningsprofiel zijn belast met de zorg voor personen en kunnen in een één-op-één relatie komen te verkeren met degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. In deze relatie kan sprake zijn van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Het risico bestaat dat misbruik wordt gemaakt van de (tijdelijke) afhankelijkheid waardoor het risico van onder andere zeden- en geweldsdelicten aanwezig is. Verder is het risico aanwezig van diefstal van goederen.
Functionarissen kunnen te maken krijgen met het voorhanden hebben en bedienen van medische apparatuur, hulpmiddelen en toebehoren en het vervaardigen, aanschaffen, beheren, verkopen en toedienen van geneesmiddelen. Het risico bestaat dat oneigenlijk of onjuist gebruik wordt gemaakt van de geneesmiddelen, grondstoffen voor geneesmiddelen, medische apparatuur, medische hulpmiddelen en toebehoren. Geneesmiddelen kunnen worden gestolen. Dit kan een risico vormen voor de gezondheid, het welzijn en de veiligheid van personen en de volksgezondheid in het algemeen.
Tevens kunnen deze personen toegang krijgen tot systemen waarin vertrouwelijke en gevoelige gegevens zijn opgeslagen. Zij kunnen de bevoegdheid hebben om deze gegevens te bewerken. Het risico bestaat dat oneigenlijk gebruik of onjuist gebruik wordt gemaakt van de in de systemen opgeslagen gegevens. Dit kan tot uiting komen in omkoping, chantage (afdreiging) of afpersing, vernieling of sabotage en valsheid in geschrifte.

Wettelijk kader

Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna WJSG) bepaalt dat een VOG wordt afgegeven als er na onderzoek niet is gebleken van bezwaren tegen de aanvrager. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Ook worden de belangen van betrokkene meegewogen. 
Artikel 35 van de WJSG bepaalt dat de afgifte van een VOG wordt geweigerd als in de justitiële documentatie over de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien het zou worden herhaald, een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan. Dit vanwege het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval. 
Artikel 36 van de WJSG bepaalt dat in het onderzoek kennis kan worden genomen van alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie van de aanvrager en van gegevens uit de politieregisters. Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens bepaalt dat veroordelingen, transacties, openstaande strafzaken en sepots worden aangemerkt als justitiële gegevens. 
De Beleidsregels VOG-NP-RP-2013, STCRT 1 maart 2013, nr. 5409 (hierna de beleidsregels) bevatten nadere regels over het beoordelen van aanvragen voor een VOG.

Beoordeling van de aanvraag

Voor de beoordeling van een aanvraag geldt een terugkeertermijn van vijf (5) jaren. Indien iemand binnen deze terugkeertermijn voorkomt in de justitiële documentatie, zal de Staatssecretaris diens gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS ontvangen. Indien iemand binnen de van toepassing zijnde terugkeertermijn voorkomt in het JDS worden ingevolge paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkeertermijn liggen bij de beoordeling betrokken. Aan zulke strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkeertermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig ten grondslag te worden gelegd aan de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Objectieve- en Subjectieve Criteria

De beoordeling van een aanvraag om toewijzing van een VOG begint met toetsing aan het objectieve criterium. Het gaat erom of de justitiële gegevens die zijn aangetroffen in het JDS van de aanvrager, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien aan het objectieve criterium zou zijn voldaan, is in beginsel de grondslag voor weigering van de VOG gegeven.
Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt vervolgens bezien of in de omstandigheden van het geval aanleiding behoort te worden gezien om toch over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Bij de beoordeling wordt gekeken naar het tijdsverloop sinds iemand met justitie in aanraking is gekomen. Hoe recenter dit justitiecontact is, hoe zwaarder het wordt meegewogen in de beoordeling.

Weigering Verklaring omtrent het gedrag voor het profiel: Exploitatievergunning

Dit screeningsprofiel is van toepassing op aanvragen ten behoeve van het verkrijgen van een exploitatievergunning dan wel het bijschrijven van een leidinggevende op de exploitatievergunning.
Het exploiteren van bedrijfsactiviteiten kan invloed hebben op de directe omgeving. Zo kan het ontplooien van bedrijfsactiviteiten gevolgen hebben voor de openbare orde. Het overtreden van bijvoorbeeld milieuregelgeving of regelgeving die is opgesteld om de openbare orde te handhaven, staat hiermee aldus op gespannen voet. Personen die leidinggeven aan bedrijfsactiviteiten sturen vanuit hun functie mensen en de organisatie aan en zijn belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen (en dieren) in het algemeen. Zij onderhouden contacten met leveranciers, doen aanbestedingen en voeren onderhandelingen en sluiten contracten af. Daarnaast bestaat hun takenpakket uit het verkopen van goederen en producten zoals consumptiewaren. Door het verkopen van onder andere ondeugdelijke producten of het verkopen van goederen die invloed hebben op de fysieke of geestelijke gesteldheid van personen, zoals alcohol of verdovende middelen, bestaat de mogelijkheid van het in gevaar brengen van personen en de volksgezondheid in het algemeen. Door toegang te hebben tot de goederen en gelden van het bedrijf, bestaat voorts de mogelijkheid van misbruik ten eigen bate, door diefstal, verduistering of het plegen van fraude.

Wettelijk kader

Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna WJSG) bepaalt dat een VOG wordt afgegeven als er na onderzoek niet is gebleken van bezwaren tegen de aanvrager. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Ook worden de belangen van betrokkene meegewogen. 
Artikel 35 van de WJSG bepaalt dat de afgifte van een VOG wordt geweigerd als in de justitiële documentatie over de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien het zou worden herhaald, een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan. Dit vanwege het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval. 
Artikel 36 van de WJSG bepaalt dat in het onderzoek kennis kan worden genomen van alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie van de aanvrager en van gegevens uit de politieregisters. Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens bepaalt dat veroordelingen, transacties, openstaande strafzaken en sepots worden aangemerkt als justitiële gegevens. 
De Beleidsregels VOG-NP-RP-2013, STCRT 1 maart 2013, nr. 5409 (hierna de beleidsregels) bevatten nadere regels over het beoordelen van aanvragen voor een VOG.

Beoordeling van de aanvraag

Voor de beoordeling van een aanvraag geldt een terugkeertermijn van vijf (5) jaren. Indien iemand binnen deze terugkeertermijn voorkomt in de justitiële documentatie, zal de Staatssecretaris diens gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS ontvangen. Indien iemand binnen de van toepassing zijnde terugkeertermijn voorkomt in het JDS worden ingevolge paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkeertermijn liggen bij de beoordeling betrokken. Aan zulke strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkeertermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig ten grondslag te worden gelegd aan de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Objectieve- en Subjectieve Criteria

De beoordeling van een aanvraag om toewijzing van een VOG begint met toetsing aan het objectieve criterium. Het gaat erom of de justitiële gegevens die zijn aangetroffen in het JDS van de aanvrager, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien aan het objectieve criterium zou zijn voldaan, is in beginsel de grondslag voor weigering van de VOG gegeven.
Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt vervolgens bezien of in de omstandigheden van het geval aanleiding behoort te worden gezien om toch over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Bij de beoordeling wordt gekeken naar het tijdsverloop sinds iemand met justitie in aanraking is gekomen. Hoe recenter dit justitiecontact is, hoe zwaarder het wordt meegewogen in de beoordeling.

Noodverordening COVID-19 Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland

Besluit van de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland houdende voorschriften ter voorkoming van verdere verspreiding van het coronavirus/COVID-19 (Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland)

Achtergrond Noodverordening

In Nederland, maar ook wereldwijd, is er een uitbraak van het coronavirus (COVID-19), behorende tot de groep A van de infectieziektes. Ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid worden er maatregelen genomen om verdere verspreiding van het virus tegen te gaan.

Op donderdag 12 maart 2020 heeft het kabinet besloten dat alle evenementen met meer dan honderd personen in heel Nederland worden afgelast. De minister voor Medische Zorg en Sport heeft mede namens de minister voor Justitie en Veiligheid een aanwijzing gegeven aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s om hun bevoegdheden op het terrein van openbare orde en veiligheid in te zetten om de verdere verspreiding van COVID-19 tegen te gaan (kenmerk 1662578-203166-PG).

Op zondag 15 maart 2020 heeft het kabinet aanvullende maatregelen bekendgemaakt. Daarbij is de opdracht gegeven om met ingang van 15 maart 2020 om 18.00 uur eet- en drinkgelegenheden, sport- en fitnessclubs, sauna’s, seksinrichtingen en coffeeshops te sluiten. Uitgezonderd van deze opdracht zijn hotels, thuisbezorgde maaltijden en catering. Dit is een aanvulling op de maatregel om alle evenementen met meer dan honderd personen afgelast te houden en te verbieden, waaronder publieke locaties, zoals musea, concertzalen, theaters. De maatregelen gelden in elk geval tot en met 6 april 2020.

In verband met deze crisis heeft de voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland besloten om ten behoeve van de crisisbeheersing ingevolge artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s alle in dat artikel genoemde bevoegdheden van de tot de regio behorende burgemeesters over te nemen. Daartoe behoort ook de bevoegdheid om in geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, algemeen verbindende voorschriften te geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn (artikel 176, eerste lid, Gemeentewet). In deze noodverordening is daarvan gebruik gemaakt om de genoemde maatregelen juridisch uit te werken.

Handelen in strijd met de voorschriften uit deze verordening is strafbaar gesteld in artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht. Dit wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Ook kan de voorzitter van de veiligheidsregio een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen (artikelen 125 van de Gemeentewet jo. artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s).

Deze verordening staat er niet aan in de weg dat de voorzitter van de veiligheidsregio gebruik maakt van andere bevoegdheden om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen, zoals de bevoegdheid tot het geven van voorschriften van technisch-hygiënische aard in artikel 47 van de Wet publieke gezondheid, bevoegdheden in de Wet openbare manifestaties en de bevoegdheid tot het geven van bevelen ter beperking van gevaar in artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet (in combinatie met artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s).

Wat is er nu verboden?

Het is verboden om openbare samenkomsten en vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, samenkomsten in voor het publiek toegankelijke gebouwen en bijbehorende erven en samenkomsten in besloten sfeer te laten plaatsvinden, te (laten) organiseren dan wel te laten ontstaan waar meer dan honderd personen gelijktijdig samenkomen, dan wel aan dergelijke samenkomsten deel te nemen. Dit verbod is niet van toepassing op de dagelijkse gang van zaken in het openbaar vervoer en in gebouwen en bijbehorende erven van overheidsinstellingen en zorginstellingen (ex artikel 2, lid 1 Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland).

Het is verboden om een van de volgende inrichtingen geopend te houden:

  • inrichtingen waar ter plaatse eten of drinken wordt verkocht en genuttigd (eet- en drinkgelegenheden), met uitzondering van inrichtingen in bedrijven die niet voor het publiek toegankelijk zijn (bedrijfskantines en bedrijfscatering) en inrichtingen in hotels ten behoeve van de hotelgasten (ex artikel 2, lid 2, onder a Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland);
  • sport- en fitnessclubs (sportaccommodaties en sportinrichtingen), waaronder zwembaden, sporthallen en sportvelden (ex artikel 2, lid 2, onder b Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland);
  • sauna’s (ex artikel 2, lid 2, onder c Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland);;
  • inrichtingen waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt gegeven tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of bedrijfsmatig vertoningen van erotisch-pornografische aard worden aangeboden (ex artikel 2, lid 2, onder d Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland);;
  • coffeeshops, behalve voor zover uitsluitend sprake is van de verkoop, aflevering of verstrekking van softdrugs (afhaalfunctie) (ex artikel 2, lid 2, onder e Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland);.

Deze verboden gelden niet voor de hulpdiensten en voor door de voorzitter van de veiligheidsregio aangewezen (categorieën van) gevallen (ex artikel 2, lid 3 Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland).

Toelichting:

Artikel 2, 1ste lid

Het 1ste lid bevat het op donderdag 12 maart 2020 aangekondigde verbod op samenkomsten van meer dan honderd personen. Vanwege het risico dat besloten ligt in de samenkomst van grote groepen personen kent het verbod een ruime reikwijdte. Het gaat niet alleen om vergunde evenementen, maar ook om andere samenkomsten waar meer dan honderd personen bij elkaar komen. In de aanwijzing van de minister voor Medische Zorg en Sport wordt gesproken over musea, concertzalen, theaters en sportclubs en sportwedstrijden. Onder de definitie vallen ook markten waar meer dan honderd personen samenkomen. Het kan ook gaan om besloten samenkomsten van meer dan honderd deelnemers, zoals besloten (huwelijks)feesten in horeca of op bedrijventerreinen.

Het verbod heeft geen betrekking op de dagelijkse gang van zaken in het openbaar vervoer en in gebouwen en bijbehorende erven van onderwijsinstellingen, overheidsinstellingen en zorginstellingen.

Artikel 2, 2de lid

In het 2de lid zijn de maatregelen uitgewerkt die het kabinet op zondag 15 maart 2020 heeft bekendgemaakt. Ook alle eet- en drinkgelegenheden, sport- en fitnessclubs, sauna’s, seksinrichtingen en coffeeshops worden gesloten. De maatregelen inzake scholen en kinderopvang worden vanwege de noodzakelijke uitzonderingen voor kinderen van ouders met vitale beroepen in nauw overleg met de sector bepaald en zijn daarom niet in deze noodverordening opgenomen. Indien nodig kan de voorzitter van de veiligheidsregio in concrete gevallen optreden.

Eet- en drinkgelegenheden (artikel 2, 2de lid, onderdeel a) is een brede omschrijving die duidt op gelegenheden waar ter plaatse de daar gekochte spijzen en dranken genuttigd kunnen worden. De ratio achter dit verbod is dat voorkomen moet worden dat te veel mensen in een naar zijn aard beperkte ruimte gedurende enige tijd bij elkaar zijn, om zo besmettingsgevaar te beperken. Dit betekent dat ook eet- en drinkgelegenheden van (woon-)warenhuizen, shoppingcenters, grote supermarkten of andere winkels moeten sluiten. Inrichtingen waar niet langer ter plaatse eten of drinken wordt verkocht en genuttigd, kunnen openblijven. Dat geldt ook voor afhaallocaties zonder zitgelegenheid, zoals snackbars en markten.

Het verbod geldt niet voor supermarkten (winkels die eten en drinken verkopen dat niet vers bereid wordt). Onder eet- en drinkgelegenheden worden voorts niet begrepen bedrijfskantines, bedrijfscatering en eetgelegenheden in hotels ten behoeve van hotelgasten.

Ook sauna’s vallen onder het verbod (onderdeel c), omdat dit een plek is waar naar zijn aard veel personen in een beperkte ruimte samenkomen. Onder sauna’s wordt mede begrepen andere vormen van wellness zoals een Turks stoombad, hammam, beauty farms, thermale baden, badhuizen, spa’s et cetera. Een deel van deze vormen van saunarecreatie valt bovendien onder zwembaden. Ook vergelijkbare wellness-voorzieningen bij hotels of andere recreatieve voorzieningen.

Het verbod in artikel 2, 2de lid, onderdeel d ziet op seksinrichtingen en seksbioscopen. Daaronder valt ook raamprostitutie. Ook het openhouden van coffeeshops is verboden, behalve als afhaallocatie (artikel 2, 2de lid, onderdeel e). In dat geval dient de duur van het verblijf zoveel mogelijk beperkt te worden.

Uw Advocaat in Deventer

SPREEKUURLOCATIE:

Bezoekadres (op afspraak):

Het Rietveld 55A
7321 CT Apeldoorn
The Netherlands
Telephone +31 (0) 85 06 07 520
Fax +31 (0) 30 605 15 51
E-mail info@vanleeuwenlawfirm.eu

Post – en Afleveradres:

Van Leeuwen Law Firm
Maliesingel 2
3581 BA Utrecht-City
The Netherlands


Uw Advocaat in Twente

SPREEKUURLOCATIE:

Bezoekadres (op afspraak):

Capitool 10
7521PL Enschede
The Netherlands
Telephone +31 (0) 85 06 07 520
Fax +31 (0) 30 605 15 51
E-mail info@vanleeuwenlawfirm.eu

Post – en Afleveradres:

Van Leeuwen Law Firm
Maliesingel 2
3581 BA Utrecht-City
The Netherlands


Uw Advocaat in Zwolle

SPREEKUURLOCATIE:

Bezoekadres (op afspraak):

Grote Voort 293-A
8041 BL Zwolle
The Netherlands
Telephone +31 (0) 85 06 07 520
Fax +31 (0) 30 605 15 51
E-mail info@vanleeuwenlawfirm.eu

Post – en Afleveradres:

Van Leeuwen Law Firm
Maliesingel 2
3581 BA Utrecht-City
The Netherlands


Uw Advocaat in Arnhem

SPREEKUURLOCATIE:

Bezoekadres (op afspraak):

Velperplein 23-25
6811 AH Arnhem
The Netherlands
Telephone +31 (0) 85 06 07 520
Fax +31 (0) 30 605 15 51
E-mail info@vanleeuwenlawfirm.eu

Post – en Afleveradres:

Van Leeuwen Law Firm
Maliesingel 2
3581 BA Utrecht-City
The Netherlands