Seksueel geweld in Coronatijd

Aanranding, verkrachting, seksueel misbruik door hulpverleners, seksueel misbruik van kinderen, het zijn allemaal vormen van seksueel geweld. Seksueel geweld wordt soms gepleegd door onbekenden, maar nog veel vaker door bekenden, en vaak in afhankelijkheidsrelaties. Seksueel misbruik leidt over het algemeen tot ernstige schade: veel slachtoffers ontwikkelen ernstige psychische klachten, zoals angststoornissen; herbelevingen; of depressieve klachten.

Voor slachtoffers is het meestal moeilijk om met hun verhaal naar buiten te komen. Zo kan daarbij schaamte een rol spelen, maar ook de angst om niet geloofd te worden, of een zekere mate van loyaliteit ten opzichte van degene die het misbruik heeft gepleegd. Plegers van seksueel misbruik zetten slachtoffers meestal onder druk om het seksuele contact geheim te houden, en proberen slachtoffers vaak mede verantwoordelijk te maken. Dientengevolge kan het misbruik doorgaan. Het is van belang het stilzwijgen te doorbreken, en over het misbruik te praten met iemand die je vertrouwt, zoals een bekende, een vertrouwenspersoon op school of werk, een hulpverlener of een medewerker van het Steunpunt Huiselijk Geweld.

Lees verder:

Huiselijk geweld in Coronatijd

Huiselijk geweld is een vorm van geweld dat plaatsvindt in de privésfeer. Het wordt veelal gepleegd door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer, bijvoorbeeld een partner, een ouder of een kind. Daar er sprake is van een familiaire of affectieve relatie tussen dader en slachtoffer wordt deze vorm van geweld ook wel relationeel geweld genoemd. Een essentieel kenmerk van huiselijk geweld is dat er altijd sprake is van een machtsverschil tussen de dader en het slachtoffer.

Lees verder:

BIBOB-screening en vastgoedtransacties

Welke vastgoedtransacties vallen onder het bereik van de Wet BIBOB?

In gevolge artikel 1, eerste lid onder o, van de Wet BIBOB wordt een vastgoedtransactie gedefinieerd als een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:

  • het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;
  • huur of verhuur;
  • het verlenen van een gebruiksrecht; of
  • de deelname aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of die onroerende zaak huurt of verhuurt.

Voor het begrip vastgoed heeft de wetgever aansluiting gezocht bij het juridische begrip onroerende zaak uit het Burgerlijk wetboek. Dientengevolge vallen bepaalde registergoederen die roerende zaken zijn zoals schepen, buiten de reikwijdte van de Wet BIBOB. Grondtransacties vallen echter wel onder de reikwijdte van de Wet BIBOB. Het begrip onroerende zaak omvat dus de grond en de gebouwen op deze grond.

Onderdeel 1° van artikel 1, eerste lid onder o, van de Wet BIBOB heeft betrekking op het recht op eigendom en de zakelijke rechten zoals het recht van opstal, het appartementsrecht en het recht van erfpacht. In de vastgoedpraktijk van gemeenten, provincies en het Rijk komen niet alleen vastgoedtransacties voor ter zake van vol eigendom of erfpacht, maar ook ter zake van appartementsrechten, opstalrechten of combinaties daarvan. Bij dit laatste kan gedacht worden aan de ontwikkeling van een vastgoedobject met verschillende functionaliteiten waarbij het object bijvoorbeeld bestaat uit woningen met een recht van erfpacht, een parkeergarage waarvoor een opstalrecht wordt gevestigd en een museum waarvoor een recht van erfpacht wordt uitgegeven, vervolgens gesplitst in appartementsrechten.

Onderdeel 3° van artikel 1, eerste lid onder o, van de Wet BIBOB heeft betrekking op het recht op gebruik. Hiervan wordt voornamelijk door gemeenten gebruik gemaakt als een gebied of object op termijn ontwikkeld gaat worden. De gebruiker krijgt dan tijdelijk het recht tot gebruik van het vastgoed tegen betaling van een gebruiksvergoeding om de onkosten te dekken. Voor deze situaties is een huurovereenkomst met de behorende huurtermijnen en bescherming niet geëigend.

Onderdeel 4° van artikel 1, eerste lid onder o, van de Wet BIBOB heeft heeft betrekking op de deelname in een rechtspersoon, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap of een combinatie daarvan, waarmee rechten op vastgoed worden verkregen of vervreemd. Gedacht kan worden aan de NV Havengebouw, NV Zeedijk  en de CV/BV Beurs van Berlage in de gemeente Amsterdam. Ook bij zogenaamde PPS-constructies (publiek private samenwerking) ter zake van gebiedsontwikkeling worden dergelijke deelnames vaak gebruikt. Gedacht kan worden aan de NV Zuidas.

Wanneer kan een BIBOB-advies worden aangevraagd?

Ingevolge artikel 5a van de Wet BIBOB kan een rechtspersoon met een overheidstaak het Landelijk Bureau BIBOB om advies vragen. Een rechtspersoon met een overheidstaak kan het Landelijk Bureau BIBOB om een advies vragen over een natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie wordt of is aangegaan: (1) alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie; (2) in het geval dat bij een vastgoedtransactie is bedongen dat de overeenkomst kan worden opgeschort of ontbonden dan wel de rechtshandeling kan worden beëindigd indien zich één van de situaties, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet BIBOB, voordoet, alvorens zich op die opschortende of ontbindende voorwaarde te beroepen.

Ingevolge artikel 5a van de Wet BIBOB wordt aan rechtspersonen met een overheidstaak de bevoegdheid gegeven om bij het aangaan van een vastgoedtransactie een advies aan het Landelijk Bureau BIBOB te vragen. Dit advies kan worden gevraagd voorafgaand aan het aangaan van een vastgoedtransactie, dat wil zeggen voor het definitief afsluiten van een overeenkomst of het verrichten van een rechtshandeling. In dat geval wordt het advies pas aangevraagd als de onderhandelingen in een vergevorderd stadium zijn.

Een negatief advies kan dan leiden tot het niet aangaan van de overeenkomst of de rechtshandeling. Ook is het mogelijk dat een opschortende of een ontbindende voorwaarde wordt opgenomen in een overeenkomst of dat de rechtshandeling kan worden beëindigd indien zich een voorwaarde voordoet. In dit geval wordt het advies aangevraagd nadat het contract is afgesloten of de rechtshandeling is verricht. Een negatief advies kan dan leiden tot opschorting of ontbinding van de overeenkomst of beëindiging van de rechtshandeling. De  wet laat in het midden welke gevolgen aan een eventuele ontbinding van de overeenkomst of beëindiging van de rechtshandeling dienen te worden verbonden. Het ligt in de rede dat de overeenkomst respectievelijk de rechtshandeling hiervoor een nadere uitwerking bevat. De rechtspersoon met een overheidstaak is gehouden om tevoren duidelijk te maken aan de hand van welke criteria hij bepaalt of het BIBOB-instrumentarium zal worden ingezet, zulks met het oog op de kenbaarheid. In de algemene voorwaarden kan worden opgenomen dat een BIBOB-toets, met het oog op deze criteria, kan worden uitgevoerd. Ingevolgde artikel 32 van de Wet BIBOB dient de betrokkene op de hoogte te worden gesteld van het feit dat bij het Landelijk Bureau BIBOB om een advies wordt verzocht. In de definitiebepaling van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BIBOB is aangegeven welke rechtspersonen met een overheidstaak een BIBOB-advies kunnen aanvragen. Dit zijn dezelfde rechtspersonen die bij aanbestedingen BIBOB kunnen toepassen.

Waar wordt onderzoek naar gedaan?

Het Landelijk Bureau BIBOB adviseert over de mate van gevaar dat de vastgoedtransactie wordt gebruikt om crimineel verkregen vermogen te benutten en over de mate van gevaar dat de onroerende zaak wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het gevaar wordt bij vastgoedtransacties op dezelfde manier bepaald als bij vergunningen.

Het Landelijk Bureau BIBOB zal in het advies of tijdens de ondersteuning na het uitbrengen daarvan niet kunnen beoordelen of de onderhandelingen rechtmatig kunnen worden afgebroken of een overeenkomst kan worden ontbonden. Los van het feit dat deze kwestie buiten de taakomschrijving en buiten de formele expertise van het Landelijk Bureau BIBOB valt, hangt bijvoorbeeld het rechtmatig afbreken van onderhandelingen onder meer af van de wijze waarop de partijen zich jegens elkaar hebben gedragen. Aangezien het Landelijk Bureau BIBOB niet aanwezig is geweest bij die onderhandelingen, kan het zich over het gevolg van een BIBOB-procedure geen oordeel vormen.

Contractsvrijheid

Waar bij vergunningen geldt dat deze in beginsel verleend dient te worden, tenzij er sprake is van een weigeringsgrond in een wettelijke regeling, staat bij vastgoedtransacties het uitgangspunt van de contractsvrijheid voorop. Dit impliceert dat het de partijen in beginsel vrij staat om een overeenkomst aan te gaan met wie zij willen, op welk moment zij dat doen en om te bepalen wat de inhoud van de overeenkomst is.

Begrenzing

De contractsvrijheid is echter niet absoluut en wordt voor de overheid beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Artikel 3:14 BW bepaalt dat een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, niet mag worden uitgeoefend in strijd met de geschreven of ongeschreven regels van het publiekrecht. Volgens de Hoge Raad dient een overheidslichaam bij de uitoefening van zijn bevoegdheden uit een erfpachtverhouding bijvoorbeeld het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen. Overige relevante beginselen zijn onder meer het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ingevolgde het motiveringsbeginsel dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. Het niet-aangaan van een overeenkomst zal daarom diene te owrde gemotiveerd door de rechtspersoon met overheidstaak. In de Wet BIBOB wordt deze motiveringsplicht nog een benadrukt, doordat de betrokkene expliciet het recht op het geven van een zienswijze heeft, indien de overeenkomst niet zou worden aangegaan (artikel 33 Wet BIBOB). Ingevolge het zorgvuldigheidsbeginsel vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtspersoon met overheidstaak die ervoor kiest geen overeenkomst aan te gaan op basis van het eigen onderzoek of na een BIBOB-advies, zal de beslissing dus zorgvuldig moeten voorbereiden.

Daarnaast geldt voor alle partijen (dus niet alleen voor overheidsinstanties) een aantal beperkingen met betrekking tot de inhoud van een vastgoedtransactie. Een rechtshandeling die strijdig met de goede zeden, de openbare orde of met een dwingende wetsbepaling is, is nietig dan wel vernietigbaar. Bovendien kan een bepaling buiten toepassing blijven, indien de gevolgen daarvan in de concrete omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Afbreken van onderhandelingen en de Wet BIBOB

Met het oog op het beginsel van de contractsvrijheid heeft de wetgever opengelaten welk gevolg er aan een BIBOB-advies kan worden verbonden. Voor het antwoord op die vraag is de rechtspersoon met overheidstaak aangewezen op de regels van het verbintenissenrecht, inclusief de relevante jurisprudentie.

Met andere woorden: de conclusie over de mate van gevaar (al dan niet onderbouwd door een advies van het Landelijk Bureau BIBOB) hoeft niet doorslaggevend te zijn bij de beslissing omtrent het aangaan van de vastgoedtransactie. Die beslissing dient primair genomen te worden tegen de achtergrond van de regels van het leerstuk van de pre-contractuele fase en pre-contractuele aansprakelijkheid. Kort samengevat houden deze in dat de onderhandelende partijen zich jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, hetgeen meebrengt dat zij hun gedrag mede dienen te laten bepalen door elkaars gerechtvaardigde belangen. Dit kan impliceren dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is, omdat de wederpartij het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat de overeenkomst tot stand zou komen. Of dat zo is, hangt af van het verloop van de onderhandelingen en de mate waarin de afbrekende partij aan het vertrouwen heeft bijgedragen. Voor zover er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, kan de afbrekende partij bijvoorbeeld worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de wederpartij.

In hoeverre onderhandelingen als gevolg van een BIBOB-procedure kunnen worden afgebroken, hangt dus af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang is of de wederpartij tijdig op de hoogte is gesteld dat Wet BIBOB zou worden toegepast en wist onder welke omstandigheden en bij welke uitkomsten van het BIBOB-onderzoek de onderhandelingen konden worden afgebroken.

Tegen deze achtergrond is het niet ondenkbaar dat een BIBOB-advies met een ernstig gevaar conclusie onder bepaalde omstandigheden onvoldoende grondslag biedt om de onderhandelingen af te breken, bijvoorbeeld indien de rechtspersoon met overheidstaak steeds de indruk heeft gewekt dat de overeenkomst hoe dan ook tot stand zou komen.

Anderzijds is het verdedigbaar dat onder bepaalde omstandigheden de onderhandelingen wel rechtmatig worden afgebroken na een BIBOB-advies met een mindere mate van gevaar conclusie. Omdat een dergelijk rechtsgevolg niet vanzelfsprekend is, rust er een zware motiveringsplicht op de rechtspersoon met overheidstaak; er zal aannemelijk dienen te worden gemaakt dat er zwaarwegende redenen zijn om de vastgoedtransactie niet aan te gaan. Eenzelfde afweging geldt voor de situatie dat het advies strekt tot geen gevaar, terwijl uit dat advies feiten blijken die vanwege het strikte kader van artikel 3 Wet BIBOB niet bijdragen aan de mate van gevaar, maar naar het oordeel van de rechtspersoon met overheidstaak wel een substantieel integriteitsrisico vormen. Er zal dan overtuigend gemotiveerd dienen te worden dat en waarom het redelijk is om de transactie niet aan te gaan. Bovendien moet deze mogelijkheid in een vroeg stadium van de onderhandelingen gecommuniceerd worden.

Om te voorkomen dat onderhandelingen onrechtmatig worden afgebroken, verdient het aanbeveling om een BIBOB-beleidsregel op te stellen, waarin duidelijkheid wordt verschaft over de wijze waarop de Wet BIBOB dient te worden toegepast.

Verklaring omtrent het gedrag – Toetsing aan Algemene Screening Profielen

Toetsing aan Algemene Screening Profielen

01 Informatie

Het risicogebied informatie beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich kunnen voordoen indien men in een functie of bezigheid toegang heeft tot systemen dan wel tot informatie. Het betreft hier de bevoegdheid tot het raadplegen en/of het bewerken van deze systemen.Onder dit risicogebied valt ook het omgaan met gevoelige dan wel vertrouwelijke informatie. Voorts betreft dit het toegang hebben tot of kennis dragen van veiligheidssystemen, controlemechanismen en verificatieprocessen.
Indien men het beheer heeft over of bijzondere bevoegdheden heeft bij systemen, bestaat het risico dat deze systemen misbruikt worden voor de verspreiding van bijvoorbeeld kinderpornografie. Bij het omgaan met gevoelige dan wel vertrouwelijke informatie kan deze informatie misbruikt worden, bijvoorbeeld om iemand te chanteren. Bedrijfs- of beroepsgeheimen kunnen worden gestolen of informatie kan worden gelekt. Bedrijfsprocessen kunnen worden ontregeld door bijvoorbeeld vernieling of sabotage.

02 Geld

Het risicogebied geld beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen indien men in een functie of bezigheid de beschikking heeft over geld. Onder dit risicogebied valt het omgaan met contante en/ of girale gelden en/of (digitale) waardepapieren en het hebben van budgetbevoegdheden.
Bij dit risicogebied wordt gescreend op onder andere het risico van diefstal en verduistering. Verder bestaat het risico van vervalsen en het risico van witwassen.

03 Goederen

Het risicogebied goederen beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen bij het bewaken van productieprocessen en bij het beschikken over goederen. Onder dit laatste wordt ook verstaan het laden en lossen, het inpakken en het opslaan van goederen. Verder valt onder dit risicogebied het voorhanden hebben van stoffen, objecten of voorwerpen, die bij oneigenlijk of onjuist gebruik een risico vormen voor mens (en dier).
Bij het bewaken van productieprocessen kunnen risico’s zich verwezenlijken door het onzorgvuldig omgaan met voedingsmiddelen, chemicaliën of andere stoffen, hetgeen een risico voor de volksgezondheid betekent. Door vernieling of sabotage bestaat het risico dat bedrijfsprocessen worden ontregeld waardoor de (economische belangen) van bedrijven kunnen worden geschaad. Het beschikken over goederen kan risico’s met zich meedragen die tot uitdrukking kunnen komen in diefstal of verduistering, vernieling of vervalsing van goederen. Maar ook misbruik ten eigen bate en het in gevaar brengen van goederen valt er onder.
Door oneigenlijk of onjuist gebruik van stoffen, voorwerpen of objecten kan de veiligheid en het welzijn van personen en dieren in gevaar worden gebracht en bestaat onder meer het risico van milieudelicten.

04 Diensten

Het risicogebied “diensten” beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen indien kennis en bevoegdheden, voortvloeiend uit deze dienstverlening, worden misbruikt. 
Dienstverlening zoals advies, schoonmaak, catering en onderhoud valt onder dit risicogebied. Afhankelijk van de aard en de locatie van de dienstverlening kan het risico van verduistering, diefstal, milieudelicten of het misbruik van vertrouwelijke informatie aanwezig zijn. Indien sprake is van klantcontact, bestaat tevens het risico van gewelds- en zedenmisdrijven. Het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving valt ook onder dit risicogebied. Hierbij vindt het klantcontact in de persoonlijke woon- en leefomgeving plaats.

05 Zakelijke contracten

Het risicogebied zakelijke transacties beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen bij het aangaan en het onderhouden van zakelijke contacten. Dit risicogebied omvat onder andere overleg over offertes, advisering en bemiddeling, het voeren van onderhandelingen en het afsluiten van contracten.
Het gevaar is aanwezig van omkoping, verduistering en chantage (afdreiging). Bedrijfs- of beroepsgeheimen kunnen worden gestolen en informatie kan worden gelekt.

06 Proces

Het risicogebied proces beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen indien macht over processen wordt misbruikt. Onder dit risicogebied vallen werkzaamheden zoals het onderhouden, ombouwen en bedienen van (productie)machines, apparaten en voertuigen. Daarnaast valt onder dit risicogebied het (rijdend) vervoer van goederen, productie, post en pakketten, anders dan het intern transport binnen het bedrijf. Het vervoer van personen valt ook onder dit risicogebied.
Als gevolg van sabotage en vernieling kunnen vitale bedrijfsprocessen worden ontregeld. De veiligheid van personen en goederen kan hierdoor in gevaar worden gebracht.
Bij het rijdend vervoer van grondstoffen en producten en het bezorgen van post en pakketten bestaat het gevaar van diefstal, verduistering en verkeers(gerelateerde) delicten.
Bij het vervoer van personen bestaat de mogelijkheid van het in gevaar brengen van personen door bijvoorbeeld het overschrijden van de maximum snelheid, rijden onder invloed, agressief rijgedrag of overige verkeers(gerelateerde) delicten. Bij het vervoer van personen is tevens het risico aanwezig van diefstal en gewelds- en zedendelicten.

07 Aansturen organisatie

Het risicogebied aansturen organisatie beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen indien macht over organisaties en de daaraan verbonden personen wordt misbruikt. Dit risicogebied omvat het aansturen van medewerkers en het aansturen van de organisatie. Managers, bedrijfsleiders en filiaalhouders vallen onder dit risicogebied.
Door de positie van deze functionarissen in de organisatie bestaat het gevaar van misbruik van bevoegdheden zoals afpersing, diefstal, verduistering en valsheid in geschrifte. Als gevolg van een onjuiste of onzorgvuldige bedrijfsvoering kan de veiligheid en het welzijn van personen in gevaar gebracht worden.

08 Personen

Het risicogebied personen heeft tot doel om de kwetsbaren in de samenleving te beschermen. Kwetsbare personen zijn minderjarigen en hulpbehoevenden, zoals ouderen en gehandicapten.
Personen die werkzaam zijn met minderjarigen zijn belast met de zorg en het welzijn van deze minderjarigen. Zij kunnen in een één-op-één relatie komen te verkeren met minderjarigen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. In deze relatie kan sprake zijn van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Bovendien hebben deze personen een voorbeeldfunctie en kunnen zij invloed uitoefenen op de aan hen toevertrouwden door middel van hun gedragingen, waardoor bijvoorbeeld vermogensdelicten en overtredingen van de Opiumwet niet met de functie zijn te verenigen. Indien men in de uitoefening van de functie met minderjarigen in aanraking komt, bestaat het gevaar van machtsmisbruik. Het risico van zeden- en geweldsdelicten is aanwezig. Ook het gevaar van afpersing of chantage is aanwezig.
Personen die werkzaam zijn in de omgeving van hulpbehoevenden hebben een vertrouwenspositie. Het risico bestaat dat deze personen misbruik maken van hun bevoegdheden en het in hun gestelde vertrouwen. Eveneens bestaat het gevaar van machtsmisbruik. Het risico van zeden- en geweldsdelicten is ook in dit geval aanwezig. Datzelfde geldt voor het gevaar van afpersing of chantage (afdreiging). Hulpbehoevenden zouden in aanraking kunnen komen met verboden verdovende middelen en eigendommen van deze personen zouden kunnen worden gestolen of verduisterd.

Weigering Verklaring omtrent het gedrag voor het profiel: Politieke Ambtsdrager

Dit screeningsprofiel geldt voor alle aspirant-volksvertegenwoordigers, -wethouders en -gedeputeerden. Onder volksvertegenwoordigers worden in deze verstaan (aspirant)leden van de Eerste en Tweede Kamer, het Europees Parlement, raads- en statenleden en het algemeen bestuur van waterschappen. Bij de toets aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijk-termijn van tien jaren.
Om de integriteit van (potentiële) volksvertegenwoordigers, -wethouders en -gedeputeerden zo goed mogelijk te borgen is gekozen voor een screeningsprofiel, waarin een hoge mate van integriteit beoordeeld wordt. Aspirant-volksvertegenwoordigers zijn belast met vertegenwoordiging van het volk en vervullen in die hoedanigheid een controlerende functie ten opzichte van het (dagelijks) bestuur en zijn belast zijn met het maken van (initiatief) wetten. Aspirant-wethouders en -gedeputeerden geven sturing aan beleidsvorming op specifieke terreinen en dragen verantwoordelijkheid voor de begroting. Compromitterende situaties moeten worden vermeden, want deze doen afbreuk aan het gezag en vertrouwen. Gezag en vertrouwen zijn de pijlers waarop de positie van volksvertegenwoordigers, wethouders en gedeputeerden is gefundeerd. Om die reden worden zeer hoge eisen gesteld aan de betrouwbaarheid van personen die in aanmerking willen komen voor een dergelijke functie. Derhalve wordt verwacht dat zij terdege strafrechtelijk integer zijn.
Een (aspirant) volksvertegenwoordiger, wethouder of gedeputeerde heeft een bijzondere positie ten opzichte van zijn/haar medeburgers. Door een niet-integere houding kan misbruik worden gemaakt van -en afbreuk worden gedaan aan- deze bijzondere positie. Hierom wordt van hen strikte naleving van de wettelijke voorschriften verlangd.
Eén van de kenmerken van de functie van aspirant-volksvertegenwoordiger, -wethouder en -gedeputeerde is dat wordt omgegaan met zeer gevoelige informatie. Het omgaan met gevoelige informatie brengt het risico met zich mee van misbruik van gegevens, onzorgvuldig omgaan met gegevensdragers, het lekken van informatie, afpersing, afdreiging, vervalsing etc. Als politicus bestaat ook het gevaar van omkoping of door de verkregen informatie zichzelf een voordeel te verschaffen.Indien blijkt dat de aspirant-volksvertegenwoordiger, -wethouder of -gedeputeerde in de voorgeschreven terugkijk-termijn voorkomt en/of is veroordeeld voor feiten die verband houden met de functieaspecten geld, goederen en/of personen zegt dat in negatieve zin iets over zijn/haar kwetsbaarheid en integriteit om als politieke ambtsdrager op te kunnen treden.

Wettelijk kader

Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna WJSG) bepaalt dat een VOG wordt afgegeven als er na onderzoek niet is gebleken van bezwaren tegen de aanvrager. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Ook worden de belangen van betrokkene meegewogen. 
Artikel 35 van de WJSG bepaalt dat de afgifte van een VOG wordt geweigerd als in de justitiële documentatie over de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien het zou worden herhaald, een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan. Dit vanwege het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval. 
Artikel 36 van de WJSG bepaalt dat in het onderzoek kennis kan worden genomen van alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie van de aanvrager en van gegevens uit de politieregisters. Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens bepaalt dat veroordelingen, transacties, openstaande strafzaken en sepots worden aangemerkt als justitiële gegevens. 
De Beleidsregels VOG-NP-RP-2013, STCRT 1 maart 2013, nr. 5409 (hierna de beleidsregels) bevatten nadere regels over het beoordelen van aanvragen voor een VOG.

Beoordeling van de aanvraag

Voor de beoordeling van een aanvraag geldt een terugkeertermijn van vijf (5) jaren. Indien iemand binnen deze terugkeertermijn voorkomt in de justitiële documentatie, zal de Staatssecretaris diens gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS ontvangen. Indien iemand binnen de van toepassing zijnde terugkeertermijn voorkomt in het JDS worden ingevolge paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkeertermijn liggen bij de beoordeling betrokken. Aan zulke strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkeertermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig ten grondslag te worden gelegd aan de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Objectieve- en Subjectieve Criteria

De beoordeling van een aanvraag om toewijzing van een VOG begint met toetsing aan het objectieve criterium. Het gaat erom of de justitiële gegevens die zijn aangetroffen in het JDS van de aanvrager, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien aan het objectieve criterium zou zijn voldaan, is in beginsel de grondslag voor weigering van de VOG gegeven.
Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt vervolgens bezien of in de omstandigheden van het geval aanleiding behoort te worden gezien om toch over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Bij de beoordeling wordt gekeken naar het tijdsverloop sinds iemand met justitie in aanraking is gekomen. Hoe recenter dit justitiecontact is, hoe zwaarder het wordt meegewogen in de beoordeling.

Weigering Verklaring omtrent het gedrag voor het profiel: Gezondheidszorg

Onder het screeningsprofiel “gezondheidszorg en welzijn van mens en dier” vallen zowel beroepen in de intramurale als de extramurale zorg.
Functionarissen in dit screeningsprofiel zijn belast met de zorg voor personen en kunnen in een één-op-één relatie komen te verkeren met degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. In deze relatie kan sprake zijn van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Het risico bestaat dat misbruik wordt gemaakt van de (tijdelijke) afhankelijkheid waardoor het risico van onder andere zeden- en geweldsdelicten aanwezig is. Verder is het risico aanwezig van diefstal van goederen.
Functionarissen kunnen te maken krijgen met het voorhanden hebben en bedienen van medische apparatuur, hulpmiddelen en toebehoren en het vervaardigen, aanschaffen, beheren, verkopen en toedienen van geneesmiddelen. Het risico bestaat dat oneigenlijk of onjuist gebruik wordt gemaakt van de geneesmiddelen, grondstoffen voor geneesmiddelen, medische apparatuur, medische hulpmiddelen en toebehoren. Geneesmiddelen kunnen worden gestolen. Dit kan een risico vormen voor de gezondheid, het welzijn en de veiligheid van personen en de volksgezondheid in het algemeen.
Tevens kunnen deze personen toegang krijgen tot systemen waarin vertrouwelijke en gevoelige gegevens zijn opgeslagen. Zij kunnen de bevoegdheid hebben om deze gegevens te bewerken. Het risico bestaat dat oneigenlijk gebruik of onjuist gebruik wordt gemaakt van de in de systemen opgeslagen gegevens. Dit kan tot uiting komen in omkoping, chantage (afdreiging) of afpersing, vernieling of sabotage en valsheid in geschrifte.

Wettelijk kader

Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna WJSG) bepaalt dat een VOG wordt afgegeven als er na onderzoek niet is gebleken van bezwaren tegen de aanvrager. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Ook worden de belangen van betrokkene meegewogen. 
Artikel 35 van de WJSG bepaalt dat de afgifte van een VOG wordt geweigerd als in de justitiële documentatie over de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien het zou worden herhaald, een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan. Dit vanwege het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval. 
Artikel 36 van de WJSG bepaalt dat in het onderzoek kennis kan worden genomen van alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie van de aanvrager en van gegevens uit de politieregisters. Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens bepaalt dat veroordelingen, transacties, openstaande strafzaken en sepots worden aangemerkt als justitiële gegevens. 
De Beleidsregels VOG-NP-RP-2013, STCRT 1 maart 2013, nr. 5409 (hierna de beleidsregels) bevatten nadere regels over het beoordelen van aanvragen voor een VOG.

Beoordeling van de aanvraag

Voor de beoordeling van een aanvraag geldt een terugkeertermijn van vijf (5) jaren. Indien iemand binnen deze terugkeertermijn voorkomt in de justitiële documentatie, zal de Staatssecretaris diens gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS ontvangen. Indien iemand binnen de van toepassing zijnde terugkeertermijn voorkomt in het JDS worden ingevolge paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkeertermijn liggen bij de beoordeling betrokken. Aan zulke strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkeertermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig ten grondslag te worden gelegd aan de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Objectieve- en Subjectieve Criteria

De beoordeling van een aanvraag om toewijzing van een VOG begint met toetsing aan het objectieve criterium. Het gaat erom of de justitiële gegevens die zijn aangetroffen in het JDS van de aanvrager, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien aan het objectieve criterium zou zijn voldaan, is in beginsel de grondslag voor weigering van de VOG gegeven.
Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt vervolgens bezien of in de omstandigheden van het geval aanleiding behoort te worden gezien om toch over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Bij de beoordeling wordt gekeken naar het tijdsverloop sinds iemand met justitie in aanraking is gekomen. Hoe recenter dit justitiecontact is, hoe zwaarder het wordt meegewogen in de beoordeling.

Weigering Verklaring omtrent het gedrag voor het profiel: Exploitatievergunning

Dit screeningsprofiel is van toepassing op aanvragen ten behoeve van het verkrijgen van een exploitatievergunning dan wel het bijschrijven van een leidinggevende op de exploitatievergunning.
Het exploiteren van bedrijfsactiviteiten kan invloed hebben op de directe omgeving. Zo kan het ontplooien van bedrijfsactiviteiten gevolgen hebben voor de openbare orde. Het overtreden van bijvoorbeeld milieuregelgeving of regelgeving die is opgesteld om de openbare orde te handhaven, staat hiermee aldus op gespannen voet. Personen die leidinggeven aan bedrijfsactiviteiten sturen vanuit hun functie mensen en de organisatie aan en zijn belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen (en dieren) in het algemeen. Zij onderhouden contacten met leveranciers, doen aanbestedingen en voeren onderhandelingen en sluiten contracten af. Daarnaast bestaat hun takenpakket uit het verkopen van goederen en producten zoals consumptiewaren. Door het verkopen van onder andere ondeugdelijke producten of het verkopen van goederen die invloed hebben op de fysieke of geestelijke gesteldheid van personen, zoals alcohol of verdovende middelen, bestaat de mogelijkheid van het in gevaar brengen van personen en de volksgezondheid in het algemeen. Door toegang te hebben tot de goederen en gelden van het bedrijf, bestaat voorts de mogelijkheid van misbruik ten eigen bate, door diefstal, verduistering of het plegen van fraude.

Wettelijk kader

Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna WJSG) bepaalt dat een VOG wordt afgegeven als er na onderzoek niet is gebleken van bezwaren tegen de aanvrager. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Ook worden de belangen van betrokkene meegewogen. 
Artikel 35 van de WJSG bepaalt dat de afgifte van een VOG wordt geweigerd als in de justitiële documentatie over de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien het zou worden herhaald, een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan. Dit vanwege het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval. 
Artikel 36 van de WJSG bepaalt dat in het onderzoek kennis kan worden genomen van alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie van de aanvrager en van gegevens uit de politieregisters. Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens bepaalt dat veroordelingen, transacties, openstaande strafzaken en sepots worden aangemerkt als justitiële gegevens. 
De Beleidsregels VOG-NP-RP-2013, STCRT 1 maart 2013, nr. 5409 (hierna de beleidsregels) bevatten nadere regels over het beoordelen van aanvragen voor een VOG.

Beoordeling van de aanvraag

Voor de beoordeling van een aanvraag geldt een terugkeertermijn van vijf (5) jaren. Indien iemand binnen deze terugkeertermijn voorkomt in de justitiële documentatie, zal de Staatssecretaris diens gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS ontvangen. Indien iemand binnen de van toepassing zijnde terugkeertermijn voorkomt in het JDS worden ingevolge paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkeertermijn liggen bij de beoordeling betrokken. Aan zulke strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkeertermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig ten grondslag te worden gelegd aan de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Objectieve- en Subjectieve Criteria

De beoordeling van een aanvraag om toewijzing van een VOG begint met toetsing aan het objectieve criterium. Het gaat erom of de justitiële gegevens die zijn aangetroffen in het JDS van de aanvrager, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien aan het objectieve criterium zou zijn voldaan, is in beginsel de grondslag voor weigering van de VOG gegeven.
Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt vervolgens bezien of in de omstandigheden van het geval aanleiding behoort te worden gezien om toch over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Bij de beoordeling wordt gekeken naar het tijdsverloop sinds iemand met justitie in aanraking is gekomen. Hoe recenter dit justitiecontact is, hoe zwaarder het wordt meegewogen in de beoordeling.

Beoordelingskader rijden onder invloed van alcohol of drugs (art. 8 Wegenverkeerswet 1994)

In artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 is het rijden onder invloed strafbaar gesteld. Het gaat om rijden onder invloed van alcohol, maar ook van drugs of medicatie die de rijvaardigheid beïnvloeden.

Rijden onder invloed – art 8 Wegenverkeerswet 1994

Artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 stelt verschillende vormen van rijden onder invloed strafbaar:

1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.
2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.
3. In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken, dan wel, indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, nog geen zeven jaar zijn verstreken, en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een motorrijtuig die zonder rijbewijs een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is.
5. Het is verboden een motorrijtuig als bestuurder te doen besturen door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste, tweede of derde lid is omschreven.

Artikel 8, lid 1 Wegenverkeerswet 1994: verkeren onder invloed stof in algemeenheid

Een vervolging op basis van artikel 8, lid 1 Wegenverkeerswet 1994 komt in aanmerking in de volgende gevallen:

  • bij een AAG lager dan 235 µg/liter respectievelijk 95µg/liter in het geval van een beginnende bestuurder en/of een deelnemer aan het alcoholslotprogramma (Vergelijk de aanwijzing vliegen onder invloed waarbij de vervolgingsgrens eveneens is vastgesteld op 95µg/liter), terwijl de verdachte verkeert onder zodanige invloed van de alcohol, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid zodanig kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht;
  • wanneer er andere stoffen dan alcohol in het geding zijn, zoals medicijnen en/of drugs. M.b.t. medicijn en/of drugsgebruik is van belang dat bij dit gebruik van psychotrope stoffen tot een bewezen- en strafbaarverklaring kan worden gekomen ook als de bestuurder niet daadwerkelijk op gevaarlijke wijze heeft gereden;
  • wanneer er sprake is van andere omstandigheden dan het weigeren van de ademanalyse/bloedproef waardoor de ademanalyse/bloedproef achterwege is gebleven (bijvoorbeeld als de ademtest of ademanalyse vanwege ontbreken van beschikbaar materiaal niet konden worden verricht en afwijkend rijgedrag is geconstateerd naast de uiterlijke kenmerken);
  • wanneer er sprake is van (vorm)fouten in de procedure betreffende de ademanalyse of de bloedproef, terwijl wel aan alle vereisten voor een vervolging ex artikel 8, lid 1 Wegenverkeerswet 1994 is voldaan (bijvoorbeeld indien bij de ademanalyse of bloedproef onherstelbare juridische procedure fouten zijn gemaakt).

Artikel 8, lid 2 Wegenverkeerswet 1994: na ademanalyse of bloedonderzoek

Wanneer met inachtneming van de wettelijke voorschriften een adem- of bloedmonster is afgenomen, zodat het resultaat van het onderzoek voor het bewijs kan worden gebruikt, wordt in beginsel een vervolging op basis van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a of b, Wegenverkeerswet 1994 ingesteld.

Ook een poging tot dronken rijden is strafbaar (HR 17-9-2002, NJ 2004 nr. 352).
.
De vraag of het ademanalyseapparaat over een geldige verklaring van goedkeuring beschikt wordt eerst relevant als de verdachte voor of tijdens het ademonderzoek heeft geweigerd (verdere) medewerking te verlenen aan het ademonderzoek en die weigering baseert op het feit dat het ademanalyse apparaat de benodigde verklaring van goedkeuring ontbeert ( HR, 25-1-2005, strafkamer nr. 01579/04, HR 1-4-2003, NJ 2003 nr. 304).

Artikel 8, lid 3 Wegenverkeerswet 1994: beginnend bestuurders

Het derde lid is aan artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 ziet speciaal op beginnende bestuurders. Het is beginnende bestuurders verboden een motorrijtuig te besturen, waarvoor een rijbewijs is vereist bij gebruik van alcoholhoudende drank hoger dan 88µg/liter (AAG) of hoger dan 0,2mg/l(BAG.) Met dit verbod wordt afgeweken van het algemene verbod dat de grens legt bij resp. 220µg/liter AAG en 0,5 mg/l (BAG).

In lid 6 van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 is vermeld dat de in lid 3 genoemde grenswaarden ook van toepassing zijn op in Nederland rijdende bestuurders van motorrijtuigen,die in het bezit zijn van een op hun naam gesteld en door een bevoegde buitenlandse autoriteit afgegeven beginnerrijbewijs.

Artikel 8, lid 4, Wegenverkeerswet 1994:

Ook voor bestuurders die zonder rijbewijs rijden, d.w.z. aan wie nimmer enig rijbewijs is afgegeven en voor bestuurders die deelnemen aan het ASP geldt een AAG van 88 en een BAG van 0,2. Dit brengt mee dat voor ervaren bestuurders aan wie een ASP is opgelegd, die met een bromfiets rijden ook 0,2 BAG/88AAG geldt.

De bestuurders van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard worden nooit vervolgd voor artikel 8, lid 4 onder a, WVW 1994. In hun geval is de afgifte datum bepalend voor de vraag of vervolging op grond van het tweede of derde lid van artikel 8 WVW 1994 plaats kan vinden.

Bestuurder

Alleen een bestuurder van een motorrijtuig kan zich schuldig maken aan rijden onder invloed van alcohol of drugs. Soms staat niet vast of de verdachte inderdaad ook als bestuurder heeft opgetreden. In die gevallen is het vaak verstandig om verweer te voeren tegen de verdenking. Er moet echter een verschil worden gemaakt tussen:

1. BESTUREN; de verdenking van besturen in strijd met artikel 8 WVW (dat vereist is bij weigering van medewerking aan het alcoholonderzoek). Degene die ervan wordt verdacht te hebben gehandeld als bestuurder kan op grond van artikel 163 Wegenverkeerswet 1994 worden bevolen om mee te werken aan de ademanalyse. Bij een verdenking van het besturen mag de verdachte niet weigeren om mee te werken aan het alcoholonderzoek.

Voorbeeld van WEL besturen: De persoon die achter het stuur zit, met de motor aan (al dan niet op het gaspedaal bezig zijnde) (HR 27 september 2005, VR 2006, 18)

Voorbeelden van NIET besturen: het ernaast lopend voortduwen van een snorfiets levert (ECLI:NL:GHAMS:2017:4922)

2. BESTUURDER; het daadwerkelijk besturen (wettig en overtuigend bewijs) (na een voltooid alcohol- of bloedonderzoek). In beginsel wordt als bestuurder aangemerkt degene die de bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging en de rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt (Hof Leeuwarden, 25 januari 2011, VR 2012, 15).  In de jurisprudentie zien we verschillende voorbeelden waarbij de Hoge Raad ook een ruimere definitie van het begrip bestuurder hanteert.

  • Automobilist die zijn voertuig enkel heeft geparkeerd en zijn portier opent (HR 21 oktober 2003, VR 2004, 36)
  • Het duwen of aan de hand meevoeren van een motorrijtuig (HR 12 juni 1990, NJ 1991, 29)
  • Het zitten achter het stuur van een voertuig dat wordt gesleept (HR 1 december 1987, NJ 1988, 689)
  • Het geven van een ruk aan het stuur (Hof Amsterdam, 18 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2109)
  • Het als passagier aan de handrem trekken (HR 30 augustus 2005, VR 2006, 17, ECLI:NL:HR:2005:AT7292),

Alcoholonderzoek

Een bestuurder kan achtereenvolgens aan verschillende onderzoeken worden onderworpen ter vaststelling van het rijden onder invloed van alcohol. Het gaat om de volgende onderzoeken:

1. Een voorlopig alcoholonderzoek op straat
2. Ademanalyse op het politiebureau
3. Bloedonderzoek
4. Urineonderzoek

Strikte waarborgen alcoholonderzoek

Het alcoholonderzoek is met strikte waarborgen omkleed. Dit houdt in dat er tijdens de ademanalyse of het bloedonderzoek speciale voorschriften nageleefd moeten worden door de verbalisanten. Van “een onderzoek” als bedoeld in art. 8, tweede lid onder b, WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd (vgl. HR 16 februari 1982, NJ 1982/385). Zijn belangrijke voorschriften niet juist nageleefd, dan heeft dit tot gevolg dat het resultaat van de ademanalyse of het bloedonderzoek niet bruikbaar is voor het bewijs. Het gaat immers hierbij om vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek waarop artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is (HR 11-10-2011 LJN BR3043). De resultaten van het onderzoek mogen daarom bij niet naleving van de strikte waarborgen niet tot het bewijs worden gebezigd. Vrijspraak dient dan te volgen. 

Drugsonderzoek

Onderzoek naar gebruikte drugs, vindt plaats via een bloedonderzoek of via een urineonderzoek. Binnenkort komt er ook een speekseltester ter vaststelling van drugsgebruik bij wijze van voorlopig onderzoek. Via het bloedonderzoek kan worden vastgesteld welke drugs de verdachte heeft gebruikt, en in welke concentratie deze nog in het bloed zitten. Bepalend is evenwel niet zo zeer de concentratie van bepaalde drugs in het bloed, maar meer de invloed die de geconstateerde concentratie heeft op de rijvaardigheid. In de jurisprudentie zien we dat die invloed op de rijvaardigheid niet altijd even gemakkelijk is vast te stellen, en Rechters stellen ook hoge eisen aan een oordeel hieromtrent. Zo oordeelde het gerechtshof Arnhem op 15 maart 2010 (LJN: BL8116) dat de conclusie van het NFI dat de in het bloed aangetroffen hoeveelheid MDMA waarschijnlijk de rijvaardigheid negatief heeft beïnvloed onvoldoende om aan te nemen dat verdachte onder zodanige invloed verkeerde, dat zij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht nu de verdachte had verklaard dat ze een half uur voor de aanhouding een halve Xtc-pil had ingenomen, en het niet bekend was wat er precies in de pil zat. Er geldt voor de bepaling van de toegestane waarde bovendien een correctie van 20% . Het gaat om een analytische norm. De correctie wordt toegepast om de aangetroffen hoeveelheid drugs in het bloed. Bijv. wanneer er 0,08 milligram amfetamine per liter bloed is aangetoond, moet hierop nog eerst een correctie worden toegepast ivm 20% foutmarge toepassen; dan komt men uit op 0,064 milligram per liter. Voor amfetamine geldt evenwel een adviesnorm van 0,05 milligram per liter. Bij 50 (het hof begrijpt 50 microgram per liter bloed, oftewel 0,05 milligram per liter bloed) stijgt het risico van ongevallen in het verkeer. In dat geval is er sprake van een beïnvloeding van de rijvaardigheid (LJN: BN3886, Gerechtshof Leeuwarden, 12 augustus 2010). Indien er na onderzoek blijkt dat een verdachte onder invloed van drugs heeft gereden, zal de verdachte naast de strafrechtelijke vervolging, ook te maken krijgen met het CBR, die een onderzoek naar de rijgeschiktheid vanwege drugs oplegt, maar ook zolang de geldigheid van het rijbewijs zal schorsen. Het gaat dus om een ingrijpende maatregel. Krijgt u te maken met het CBR, bestel dan in ieder geval de informatiebrochure ‘drugs’ om u zo goed mogelijk voor te bereiden op het onderzoek bij de psychiater.

Straffen meer dan 50 km/u te hard rijden

Als u wordt gepakt wegens te hard rijden met meer dan 50 km/u, moet u rekening houden met een geldboete en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid. Uw rijbewijs wordt ook meteen ingenomen als u bent staande gehouden. Uiteraard wilt u dan meteen weten waar u aan toe bent, maar nergens op het internet vindt u informatie over de straffen bij dergelijke snelheden. Op basis van onze ervaring en de richtlijnen kunnen wij echter wel een redelijke indicatie geven voor de straffen waarmee u rekening kunt houden. 

Boete

Bij te hard rijden met een snelheid van meer dan 50 km/u bepaalt de Officier van Justitie (OVJ) de Officier van Justitie (OVJ) de hoogte van de geldboete. U moet rekening houden met een boete vanaf € 720,00. De precieze hoogte van de boete is mede afhankelijk van de volgende omstandigheden:

  • Uiteraard de gereden snelheid (juist vastgesteld?)
  • Snelheidsoverschrijding binnen of buiten de bebouwde kom?
  • Wegwerkzaamheden ter plaatse?
  • Recidive (normale boete + 20%)
  • Soort verkeersbord ter plaatse

Ontzegging van de rijbevoegdheid

Naast een geldboete kan de straf ook bestaan uit een ontzegging van de rijbevoegdheid. Wanneer u maximumsnelheid met 50 km/u hebt overschreden, krijgt u als bijkomende straf vaak een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee (2) maanden opgelegd. De precieze duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid is afhankelijk van de volgende omstandigheden:

  • Uiteraard de gereden snelheid
  • Eventuele recidive (per eerdere overtreding + twee (2) maanden ontzegging)
  • De vraag of u uw rijbewijs dringend nodig hebt voor uw werk of andere belangrijke sociale verplichtingen

Wanneer u het rijbewijs dringend nodig hebt voor uw werk of voor andere belangrijke sociale verplichtingen, adviseren wij u om u tijdens de OM-zitting bij te laten staan door een gespecialiseerde (Strafrecht-) advocaat. Vaak krijgt uw (Strafrecht-) advocaat het voor elkaar om het rijbewijs eerder terug te krijgen of de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid aanzienlijk te beperken.

Invordering rijbewijs

Indien uw rijbewijs door de politie is ingenomen wegens te hard rijden, krijgt u dit in de meeste gevallen niet terug. In beginsel zal de Officier van Justitie (OVJ) de inhouding van het rijbewijs bevelen voor de duur van twee (2) tot acht (8) maanden. U hoeft zich echter niet neer te leggen bij deze beslissing. Wij adviseren u om bij een invordering van het rijbewijs direct contact met ons opnemen. Wij zullen u dan direct in contact brengen met een van onze gespecialiseerde (Strafrecht-) advocaat die direct voor u een klaagschrift zal indienen bij de Rechtbank om het rijbewijs terug te krijgen. U hebt de meeste kans om het rijbewijs terug te krijgen indien:

  • De snelheidsoverschrijding minder was dan 100 km/u
  • Dit de eerste keer betrof, of u in ieder geval geen eerdere veroordelingen of geregistreerde boetes hebt in de afgelopen twee (2) jaar.

U aannemelijk kunt maken dat u het rijbewijs dringend nodig hebt.

Rijbewijs ingevorderd door snelheidsovertreding

Bij een snelheidsovertreding van > 50 km/u wordt het rijbewijs door de politie ingevorderd. Op grond van artikel 164 WVW is de politie daartoe verplicht. Het rijbewijs zal dan door de politie naar het CVOM worden doorgestuurd. De Officier van Justitie (OVJ) zal dan binnen tien (10) dagen nadat het rijbewijs is ingevorderd een beslissing moeten nemen wat er met het rijbewijs moet gebeuren. Er zijn twee (2) mogelijkheden:

1. Inhouden rijbewijs voor enkele maanden

In de meeste gevallen zal de officier beslissen dat het rijbewijs voor langere tijd moet worden ingehouden. De minimale inhoudingsduur is twee (2) maanden en bij recidive of een forse snelheidsovertreding zal de officier het rijbewijs al snel voor vier (4) of zes (6) maanden inhouden.

2. Teruggave van het rijbewijs

Een enkele keer zal de Officier van Justitie (OVJ) het rijbewijs direct teruggeven, maar dat is eigenlijk alleen het geval wanneer de termijn van tien (10) dagen door de officier wordt overschreden. In bijna alle andere gevallen zal de officier het rijbewijs voor enige tijd afpakken.

Termijn rijbewijs ingevorderd bij snelheidsovertreding

Als het aan de Officier van Justitie (OVJ) ligt krijgt u bij een forse snelheidsovertreding (> 50 km/u) dus voorlopig niet terug. De officier hanteert hierbij de volgende termijnen voor de inhouding van het rijbewijs:

Gemeten snelheidperiode rijbewijs kwijt
50 – 69 km/utwee (2) maanden
70 – 99 km/u4 maanden
> 100 km/uzes (6) maanden 

Wanneer u binnen een periode van 2 jaren vaker bent aangehouden wegens een geregistreerde snelheidsovertreding (> 30 km/u), zult u voor iedere extra overtreding het rijbewijs twee (2) maanden langer kwijt raken.