Beveiligingsactiviteiten in Spanje

Binnen de Europese Unie komt men steeds vaker de situatie tegen dat een particulier beveiligingsbedrijf uit de ene EU-lidstaat beveiligingsactiviteiten verricht op het grondgebied van een andere EU-lidstaat. Ook vanuit een Nederlands particulier beveiligingsbedrijf kan de wens bestaand om beveiligingsactiviteiten te verrichten op het grondgebied van andere EU-lidstaten.

In deze White paper komt aan de orde aan welke eisen een Nederlands particulier beveiligingsbedrijf dient te voldoen, die beveiligingsactiviteiten wenst te verrichten op het Spaanse grondgebied.  

Toepassingsgebied

In Spanje wordt de private persoonsbeveiliging geregeld in:
a) Ley 23/1992 de 30 de julio, de Seguridad Privada (Ley 23/1992)
b) Real Decreto 2364/1994 de 9 de diciembre, por el que se aprueba el Reglamento de Seguridad Privada (Real Decreto 2364/1994).

Vergunningplicht

De vergunninggebondenheid

In Spanje wordt de vergunninggebondenheid voor beveiligingsorganisaties geregeld in Ley 23/1992 en Real Decreto 2364/1994. De basis voor de vergunninggebondenheid voor private persoonsbeveiliging vindt men in art. 1 lid 1 j° 5 lid 2 j° Ley 23/1992 en art. 1 lid 1, sub b Real Decreto 2364/1994.

Ex art. 7.1 j° 1.1 j° 5.1 sub b Ley 23/1992 en art. 2.1 j° 1.1 sub b Real Decreto 2364/1994 geldt er voor het verrichten van activiteiten betreffende private persoonsbeveiliging een Autorización (= vergunning)-plicht en daaraan gekoppeld een verplichting te worden ingeschreven in het Registro de Empresas de Seguridad van de Dirección General de la Policia van het Ministerio del Interior.

In dit Registro treft men de volgende vermeldingen aan: a) de naam van de organisatie; b) het fiscale nummer; c) de datum van de Autorización; d) de statutaire zetel; e) het type onderneming en de rechtsvorm; f) de activiteiten waarvoor een Autorización is afgegeven; g) het territorium waarbinnen een activiteit wordt verricht; h) de wettelijke vertegenwoordiging van de onderneming; alsmede i) de verandering of actualisatie van de reeds opgesomde gegevens (art. 7.3 Ley 23/1992).

De Vergunningeisen t.a.v. de onderneming

T.a.v. de Autorización voor private persoonsbeveiliging worden er in art. 7.1 Ley 23/1992 de volgende reeks vergunningeisen geformuleerd, namelijk:

a) Deel uitmaken van een Sociedad Anónima (Naamloos Vennootschap), Sociedad de responsabilidad limitadas (Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid), Sociedad Cooperativa (Coöperativa) of Sociedad anónima laboral, hebbende tot doelstelling alle of één van de diensten/activiteiten ex art. 5 Ley 23/1992.

b) In alle gevallen dient de bewakingsonderneming te beschikken over de nationaliteit van een EU-lidstaat of een staat behorend tot de EER.

c) Beschikken over een minimum aan geplaatst kapitaal, in verhouding tot haar doel en haar geografisch gerelateerde gedragslijn, welke niet ondergeschikt kan zijn, als vastgesteld in de regelgeving voor Sociedad anónima.

d) Het geplaatste kapitaal dient geheel te zijn uitgegeven en te bestaan uit aandelen op naam.

e) De middelen inzake manpower, opleiding, financiering, materialen en technieken zijn vastgesteld in verhouding tot het vennootschapsdoel en de geografische gerelateerde gedragslijn.

f) De garantie geven dat het voorgaande bij reglementen naar omstandigheden geregeld wordt.

Tevens worden aanvullend als eisen gesteld:
dat de private beveiligingsorganisatie geen activiteiten betreffende private recherchewerkzaamheden mag verrichten (ex art. 5.3 Ley 23/1992); en
dat het optreden van de private beveiligingsorganisatie zich beperkt tot het territorium van de Spaanse staat of van de autonome gebieden (art. 3 Real Decreto 2364/1994).

Het niet voldoen aan de vereisten ex art. 7.1 Ley 23/1992 zal tot gevolg hebben dat de inschrijving wordt doorgehaald. Deze doorhaling geschiedt op basis van een gemotiveerd besluit van het Ministerio del Interior, met daaraangekoppeld een hoorzitting voor de belanghebbende (ex art. 7.3 Ley 23/1992).

Informatieplicht t.a.v. de Autorización

De private beveiligingsorganisatie is verplicht het Ministerio del Interior op de hoogte houden omtrent:

a) elke verandering die van invloed kan zijn op de eigendom van de effecten/aandelen en het geplaatste kapitaal (ex art. 9.1 Ley 23/1992);

b) wijzigiging van de statuten (art. 9.2 Ley 23/1992); en

c) onverwachte wijzigingen betreffende de personele compositie van de directie/bestuur (art. 9.2 Ley 23/1992).

Dit dient binnen 5 dagen na wijziging te geschieden (art. 9.1 Ley 23/1992).

De eisen t.a.v. leidinggevend personeel

T.a.v. een leidinggevende persoon van een bewakingsonderneming worden de volgende eisen gesteld:

1) Hij moet de leeftijd van 18 jaar al hebben bereikt (art. 53, sub a Real Decreto 2364/1994);

2) Hij is een natuurlijke persoon afkomstig uit een EU-lidstaat of een staat behorend tot de EER (art. 8, sub a Ley 23/1992 en art. 53, sub b Real Decreto 2364/1994).

3) Hij dient te beschikken over een goede fysieke en psychische gesteldheid, noodzakelijk voor de uitoefening van hun functies. Hij mag niet aan kwalen lijden die een goed functioneren in de weg zouden kunnen staan (art. 53, sub c Real Decreto 2364/1994)

4) Hij heeft geen strafblad (art. 8, sub b Ley 23/1992 en art. 53, sub d Real Decreto 2364/1994)

5) Hij is de afgelopen 5 jaren niet veroordeeld wegens een onwettige schending van de goede eer, de persoonlijke levenssfeer van personen of familieleden, beeldmateriaal, communicatiegeheim of andere fundamentele rechten (art. 53, sub e Real Decreto 2364/1994)

6) Hij is de afgelopen 2 tot 4 jaren niet veroordeel wegens een ernstige of zeer ernstige inbreuken op de veiligheid (art. 8, sub c Ley 23/1992 en art. 53, sub f Real Decreto 2364/1994)

7) Hij is niet ontslagen bij de politie of uit het leger (art. 8, sub d Ley 23/1992 en art. 53, sub g Real Decreto 2364/1994)

8) In de afgelopen 2 jaren voorafgaand aan de aanvraag mag hij in de rol van politie of militair ambtenaar geen toezichthoudende rol hebben vervuld t.a.v. organisaties met private security of private recherche-activiteiten belast. In die rol mag hij eveneens geen toezicht hebben uitgeoefend op de in deze bedrijfstakken werkzame personen (art. 8, sub d Ley 23/1992 en art. 53, sub h Real Decreto 2364/1994)

9) Hij moet de know-how en training kunnen voorleggen, die essentieel is voor het uitoefenen van security-diensten en activiteiten (art. 53, sub i Real Decreto 2364/1994).

10) Hij beschikt over de titels: Bachillerato Unificado Polivalente, Bachillir, Formacion Professional de segundo grado, técnico de las profesiones, of andere vaststaande kwalificaties equivalent of hoger (art. 54.4 Real Decreto 2364/1994).

De eisen t.a.v. uitvoerend personeel

T.a.v. een uitvoerende persoon van een bewakingsonderneming worden de volgende eisen gesteld:

1) Hij moet de leeftijd van 18 jaar al hebben bereikt (art. 53, sub a Real Decreto 2364/1994). Hij heeft de leeftijd van 55 jaar nog niet bereikt (art. 54.2, sub a Real Decreto 2364/1994).

2) Hij is een natuurlijke persoon afkomstig uit een EU-lidstaat of een staat behorend tot de EER (art. 10.3, sub a Ley 23/1992 en art. 53, sub b Real Decreto 2364/1994).

3) Hij dient te beschikken over een goede fysieke en psychische gesteldheid, noodzakelijk voor de uitoefening van hun functies. Hij mag niet aan kwalen lijden die een goed functioneren in de weg zouden kunnen staan (art. 53, sub c Real Decreto 2364/1994)

4) Hij heeft geen strafblad (art. 10.3, sub b Ley 23/1992 en art. 53, sub d Real Decreto 2364/1994)

5) Hij is de afgelopen 5 jaren niet veroordeeld wegens een onwettige schending van de goede eer, de persoonlijke levenssfeer van personen of familieleden, beeldmateriaal, communicatiegeheim of andere fundamentele rechten (art. 10.3, sub c Ley 23/1992 en art. 53, sub e Real Decreto 2364/1994)

6) Hij is de afgelopen 2 tot 4 jaren niet veroordeel wegens een ernstige of zeer ernstige inbreuken op de veiligheid (art. 10.3, sub b Ley 23/1992 en art. 53, sub f Real Decreto 2364/1994)

7) Hij is niet ontslagen bij de politie of uit het leger (art. 10.3, sub b Ley 23/1992 en art. 53, sub g Real Decreto 2364/1994)

8) In de afgelopen 2 jaren voorafgaand aan de aanvraag mag hij in de rol van politie of militair ambtenaar geen toezichthoudende rol hebben vervuld t.a.v. organisaties met private security of private recherche-activiteiten belast. In die rol mag hij eveneens geen toezicht hebben uitgeoefend op de in deze bedrijfstakken werkzame personen (art. 10.3, sub b Ley 23/1992 en art. 53, sub h Real Decreto 2364/1994)

9) Hij moet de know-how en training kunnen voorleggen, die essentieel is voor het uitoefenen van private security-diensten en activiteiten (art. 53, sub i Real Decreto 2364/1994).

10) Hij beschikt over de titels: Graduado Escolar, Graduado en Educacion Segundaria; Formacíon Profesionel de primer grado, equivalenten of hoger (art. 54.2, sub b Real Decreto 2364/1994).

11) Hij beschikt al dan niet over de vergunning om eventueel wapens te kunnen dragen en te hanteren (art. 54.2, sub c Real Decreto 2364/1994)

12) Een bewaker is minimaal 1m70. Een bewaakster is minimaal 1m65 (art. 54.3 Real Decreto 2364/1994)

Het niet voldoen aan de vereisten ex art. 10.3 Ley 23/1992 zal tot gevolg hebben dat men verboden wordt het beroep uit te oefenen. Dit verbod geschiedt op basis van een gemotiveerd besluit van het Ministerio del Interior, met daaraangekoppeld een hoorzitting voor de belanghebbende (ex art. 7.3 Ley 23/1992).

Vergunningaanvraag

De vergunningaanvraag voor de private persoonsbeveiliging wordt geregeld in art. 4 en 5 Real Decreto 2364/1994. De procedure inzake de Autorización vangt aan met een aanvraag van de belanghebbende onderneming of persoon, verplicht vergfezeld door een reeks documenten. Dit verloopt in drie fasen (ex art. 4.1 en 5.1 Real Decreto 2364/1994).

In Fase I (“de presentación”) verstrekt men de volgende gegevens:
a) Indien het een onderneming betreft, dient er een kopie te worden gestuurd van de authentieke notariële akte van oprichting. Hieraan ontleent men, namelijk gegevens inzake:
de Spaanse nationaliteit, hetgeen een vereiste is voor het doen leveren van de diensten;
de doelomschrijving van de onderneming, omvattende 1 of meerdere diensten ex art. 1 Real Decreto 2364/1994; en
een certificaat van inschrijving der onderneming in het Registro Mercantali of het Registro Cooperativas.
b) Een verklaring inzake de type activiteiten die men wenst te ontplooien, alsmede het grondgebied alwaar dit zal geschieden.

In Fase II (“de documentación”) verstrekt men de volgende gegevens:
a) Een inventarisatie van de materiële middelen waarover men beschikt voor de uitoefening van haar activiteiten;
b) Documenten die aantonen dat men beschikt over onroerend goed, welke bedoeld is als statutaire vestigingsplaats of als dependance; en
c) Indien het een onderneming betreft, moet er een document worden aangeleverd betreffende de personele compositie van de organen belast met het bestuur/directie.

In Fase III (“de documentación complementaria y resolución” vestrekt men de volgende gegevens:
a) Het verstrekken van een authentieke akte van oprichting der onderneming, indien zulks nog niet gebeurd is in een eerder stadium;
b) Certificaten betreffende de installatie van beveiligingssystemen, waarvan de kenmerken zijn vastgesteld door het Ministerio del Interior;
c) Documenten inzake de hoogte van de te betalen belastingen;
d) Gegevens inzake het nummer en de categorie van het identiteitsbewijs aan het personeel verstrekt;
e) Kopie van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen; en
f) Documenten inzake de financiële garantstelling ex art. 7.1 Real Decreto 2364/1994.

Maar volgens de brancheorganisaties ook:
g) Medische verklaring, inhoudende te beschikken over een goede fysieke en psychische gesteldheid, noodzakelijk voor de uitoefening van hun functies. (ex Disposición Transitoria Segunda de la Orden de 7 de Julio de 1995);
h) Criminal-record, afgegeven door het Registro Central de Penados y Rebeldes para los espaňoles y extranjeros residentes en Espaňa, of equivalenten afgegeven door buitenlandse instantie, die dus hetzelfde tot doel hebben m.b.t. buitenlanders zonder een residentie in Spanje.
i) Een verklaring dat men de afgelopen 5 jaren niet veroordeeld is geweest wegens een onwettige schending van de goede eer, de persoonlijke levenssfeer van personen of familieleden, beeldmateriaal, communicatiegeheim of andere fundamentele rechten.
j) Een verklaring dat men de afgelopen 2 tot 4 jaar niet veroordeeld is wegens een ernstig of zeer ernstige inbreuk op de veiligheid;
k) Een verklaring dat men niet ontslagen is bij de politie of uit het leger;
l) Een verklaring waaruit blijkt dat men in de 2 jaren voorafgaand aan de aanvraag in de rol van politie of militair ambtenaar geen toezichthoudende rol heeft vervuld t.a.v. organisaties met private beveiligings- of private rechercheactiviteiten belast. Tevens dient uit die verkalring te blijken dat men geen toezicht uitgeoefend heeft op de in deze bedrijfstakken werkzame personen.
m) Kopieën van diploma’s en certificaten, relevant voor de beroepsgeroep;
n) 2 pasfoto’s (ex Orden de 7 de Julio de 1995).

De kosten inzake de Autorización

Volgens de Manual Director van APROSER (de autoriteit voor de security-branche) zijn er slechts enige adminstratieve kosten verbonden aan de verstrekking van de ID-kaarten. Hij maakt duidelijk dat er voor een autorización louter voldaan moet zijn aan een minimum geplaatst kapitaal en een bank-garantieverklaring, ondersteund door een gedegen odnernemersplan. Hij verwijst daarbij naar de annex bij de Real Decreto 2364/1994.

Opschorting/Weigering Autorización

Indien de aanvraag aan het begin, of in daarop volgende fasen, gebrekkig of incompleet verloopt, krijgt de verzoeker binnen een bestek van 10 dagen de tijd om dit gebrek of incompleet zijn te verhelpen, op straffe van een opschorting/weigering aan hem de Autorización te verstrekken (art. 8 Real decreto 2364/1994).

Duur van de Autorización

Volgens de Manual Director van APROSER (de autoriteit voor de security-branche) is een vergunning voor een security-organisatie onbeperkt lang geldig, tenzij er sprake zou zijn van een cancelación (intrekking).

Intrekking van de vergunning

Het Ministerio del Interior kan op grond van art. 12.2 Real decreto 2364/1994 de Autorización intrekken, indien:
a) dit geschiedt op eigen verzoek van de vergunninghouder;
b) de vergunninghouder 1 of meerdere vereisten voor het verkrijgen of behoud van een Autorización, als bedoeld in Ley 23/1992 en Titulo I Real Decreto, heeft geschonden
c) de vergunninghouder onderhevig is aan een sanctie, welke leidt tot een schrapping; of
d) 1 jaar geen diensten geleverd heeft.

Vestigingsplicht

Er geldt geen verplichting voor buitenlandse private beveiligingsorganisaties om zich te moeten vestigen in Spanje. N.B. Wel dient het optreden van de private beveiligingsorganisatie zich te beperken tot het territorium van de Spaanse staat of van de autonome gebieden (art. 3 Real Decreto 2364/1994).

Legitimatieplicht

Het personeel van een private beveiligingsorganisatie dient tijdens de uitvoering van z’n activiteiten een Trajeta de Identidad Profesional (een Identificatiekaart) bij zich te dragen en is verplicht om deze te tonen, indien daarom gevraagd wordt door de leden van de Guardia Civil, de Cuerpo Nacional de Policia en de Policia gerelateerd aan de autonome gebieden (art. 68.1 Real Decreto 2364/1994). Met deze Identificatiekaart dient men zich ook te identificeren, indien burgers daarom vragen en er geen andere middelen ter identificatie openstaan (art. 68.2 Real Decreto 2364/1994).

Diploma-eisen

In tegenstelling tot Nederland zijn in Spanje diploma-eisen gekoppeld aan de vergunningverlening (ex art.52.2, sub b Real Decreto 2364/1994). Daarbij wordt er qua eisen een onderscheid gemaakt tussen directieleden en uitvoerend personeel.

Conform art. 54.2, sub b Real Decreto 2364/1994 dient een directielid van een private security-organisatie te beschikken over de titels: Graduado Escolar, Graduado en Educacion Segundaria; Formacíon Profesionel de primer grado, equivalenten of hoger.

Confrom art. 54.4 Real Decreto 2364/1994 dient het uitvoerend personeel te beschikken over de titels: Bachillerato Unificado Polivalente, Bachillir, Formacion Professional de segundo grado, técnico de las profesiones, of andere vaststaande kwalificaties equivalent of hoger (art. 54.4 Real Decreto 2364/1994).

Beveiligingsactiviteiten in Duitsland

Binnen de Europese Unie komt men steeds vaker de situatie tegen dat een particulier beveiligingsbedrijf uit de ene EU-lidstaat beveiligingsactiviteiten verricht op het grondgebied van een andere EU-lidstaat. Ook vanuit een Nederlands particulier beveiligingsbedrijf kan de wens bestaand om beveiligingsactiviteiten te verrichten op het grondgebied van andere EU-lidstaten.

In deze White paper komt aan de orde aan welke eisen een Nederlands particulier beveiligingsbedrijf dient te voldoen, die beveiligingsactiviteiten wenst te verrichten op het Duitse grondgebied.  

Toepassingsgebied

In Duitsland wordt de private persoonsbeveiliging geregeld in:
a) Verordnung über das Bewachungsgewerbe van 7 december 1995 (ook wel: Bewachungsverordnung, afgekort: BewachV)
b) Gewerbeordnung van 21 juni 1869 (afgekort: GewO)
c) Berufsbildungsgesetz van 23 maart 2005 (afgekort: BBiG)

Vergunningplicht

De vergunninggebondenheid

In Duitsland wordt de vergunninggebondenheid voor persoonsbeveiligers geregeld in §34a Gewerbeordnung van 21 juni 1869 (GewO). Ingevolge §34a lid 1, 1ste volzin GewO wordt bepaald, dat iemand die beroepsmatig het leven of het eigendom van derden bewaken wil, een Erlaubnis (=vergunning) nodig heeft van de bevoegde autoriteiten.

Anzeigepflicht ex §14 GewO

Alvorens men een Erlaubnis aanvragen kan, dient men de bewakingsonderneming in het kader van §14 GewO te melden bij de bevoegde Ordnungsamt des Landeskreises of Ordnungsamt der Kreisenfreien Stadt. Deze zgn. Anzeigepflicht geschiedt middels een Gewerbeanmeldung, ex §14 lid 1, 1ste volzin j° lid 4, 1ste volzin, sub 1 GewO.

Indien de bewakingsonderneming haar activiteiten verplaatst of uitbreidt, doet zij melding bij de Ordnungsamt middels een Gewerbeummeldung (ex §14 lid 1, 1ste volzin, sub 1 en 2 j° lid 4, 1ste volzin, sub 2 GewO).
Indien de bewakingsonderneming haar activiteiten beëindigt, geschiedt dit middels een Gewerbeabmeldung (ex §14 lid 1, 1ste volzin, 1ste volzin, sub 3 j° lid 4, 1ste volzin, sub 3 GewO).

Bij de meldingen in het kader van de Anzeigepflicht dienen de volgende bescheiden te worden toegevoegd:
a) een personeelidentiteitskaart of een paspoort;
b) bij een volmacht, een schriftelijke volmachtverlening en een identiteitsbewijs van de volmachtverleners alsmede die van de gevolmachtigden; en
c) een uittreksel uit het handelsregister.
d) een Bescheinigung über die Unterrichtung ex §34a, lid 1, 3de volzin, sub 3 en 4de volzin GewO
e) een Bescheinigung über die Unterrichtung ex §34a, lid 1, 5de volzin GewO

De Vergunningeisen

De vergunningeisen voor de private persoonsbeveiliging worden geregeld in §34a lid 1, 3de volzin GewO. Er gelden de volgende eisen:

1) De feiten rechtvaardigen dat de vergunningaanvrager beschikt over de voor de beveiligingswerkzaamheden vereiste vertrouwelijk.

2) De aanvrager kan aantonen te beschikken over de voor de bewakingsactiviteiten vereiste zekerheden en middelen.

3) De aanvrager kan aantonen middels een Bescheinigung van de Industrie – und Handelskammer (IHK) te beschikken over de voor de branche noodzakelijke juridische vakkennis en hiermee vertrouwd te zijn
Indien er voldaan wordt aan deze eise, dan bestaat er een rechtsaanspraak op een toekenning van een Erlaubnis.

De eisen t.a.v. personeel

De eisen t.a.v. het personeel van een bewakingsonderneming worden geregeld in §9 Bewachungsverordnung (BewachV). Er gelden de volgende eisen:

a) Het personeel dient betrouwbaar zijn (§9 lid 1, 1ste volzin, sub 1 BewachV);

b) Het personeel dient de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben of een loopbaan afgesloten hebben bij de Politzeivollzugdienstie, Justizvollzugdienst, Bundesgrenzschutz of als veldwachter bij de Bundeswehr (§9 lid 1, 1ste volzin, sub 2 BewachV); en

c) Het personeel dient te beschikken over een onderwijsdiploma ex §3 lid 2, een getuigschrift ex §5 lid 1 of een getuigschrift van een vroegere werkgever ex §17 lid 1, 2de volzin (ex §9 lid 1, 1ste volzin, sub 3 BewachV).
Ter verificatie van de betrouwbaarheid wint de Ordnungsamt inlichtingen in ex §41 lid 1, Nr. 9 Bundeszentralregistergesetz (BZRG) (ex §9 lid 1, 2de volzin BewachV). Deze verificatie heeft ook betrekking op: a) de vertegenwoordiging van een rechtspersoon, die belast zijn met de activiteiten op het gebied van bewaking en b) de leidinggevenden (§9 lid 1, 2de volzin en §1 lid 2, sub 2 resp. 3 BewachV).

Ex §9 lid 2, 1ste volzin BewachV genieten de volgende personen geen vertrouwen, namelijk:

1) personen die deelnemen aan een vereniging, die conform het Vereinigingungsgesetz verboden zijn verklaard;

2) personen die deelnemen aan een vereniging, die op basis van het Vereinigungsgesetz onderworpen is aan een deelnameverbod;

3) personen die deelnemen aan een politieke partij, die ongrondwettig verklaard is door het Bundesverfassungsgericht (BfG) ex §46 Bundesverfassungsgerichtshofgesetz (BFGG);

4) personen die pas sinds 10 jaar niet meer deelnemen aan een politieke partij, die ongrondwettig verklaard is door het BfG.

5) personen die alleen of in verenigingsverband de feiten neergelegd in §3 lid 1 Bundesverfassungsschutzgesetz (BVerSchG) nastreeft of in de laatste 5 jaren nagestreefd heeft.

De bewakingsonderneming dient de Ordnungsamt schriftelijk op de hoogte te brengen van de personen die zij in dienst wenst te nemen, met het oog op de in §9 lid 1, 1ste volzin genoemde kwalificaties. Zij moet elk kalenderjaar alle namen en voornamen van het ontslagen personeel te melden met opgaaf van de datum van indiensttreding tot 31 maart van het daarop volgende jaar (ex §9 lid 3, 1ste en 2de volzin BewachV). Het in de 1ste en 2de volzin bepaalde geldt ook voor: a) de vertegenwoordiging van een rechtspersoon, die belast zijn met de activiteiten op het gebied van bewaking en b) de leidinggevenden ervan (§9 lid 3, 3de volzin en §1 lid 2, sub 2 resp. 3 BewachV).

Vergunningaanvraag ex §34a Gewerbeordnung

Om een Erlaubnis ex §34a GewO te verkrijgen, dient men een Erlaubnisanfrage te doen bij de bevoegde Ordnungsamt des Landeskreises of Ordnungsamt der Kreisenfreien Stadt. Deze aanvraag kan zowel door een natuurlijke als een rechtspersoon gedaan worden. Bij personenvennootschappen heeft iedere beherende vennoot een Erlaubnis nodig. Bij een rechtspersoon wordt de Erlaubnis aan de totale entiteit verstrekt.

De Erlaubnisanfrage dient volgens de IHK in Rostock de volgende documenten te bevatten:

1) Een uittreksel uit het Handelsregister, indien het een ingeschreven onderneming betreft.

2) Een Führungszeugnis (bewijs van goed gedrag) ex §30 lid 5 Bundeszentralregister. Deze vraagt men aan bij de Einwohnermeldeamt. Bij een rechtspersoon betreft het de Fühnungszeunis van diens vertegenwoordiging.

3) Een vermelding uit het Gewerbezentralregister. Deze vraagt men aan bij de Ordnungsamt.

4) De vermelding van een registratie in het Debiteurenregister van het Amtsgericht, binnen wiens territoriale jurisdictie de aanvrager in de laatste 3 jaren zijn woonplaats of beroepsvestigingsplaats heeft gehad (ex §915 ZPO en §107 KO).

5) Bescheiden inzake de voor het bedrijf verschafte financiële middelen en zekerheden.

6) Bescheiden inzake een toereikende Haftpflichtversicherung.

7) Bescheiden inzake de deelname aan 80-uren onderwijs voor het bewakersberoep ex §§1 t/m 4 BewachV. Het deelnamebewijs hiervan wordt door de verantwoordelijke IHK uitgegeven. Bij een bestaande zgn. Bewachungstätigkeit, dient een bewijsstuk van een voor de IHK afgelegde Sachkundeprüfung te worden overlegd.

Voor het doen toekomen van de Erlaubnis kan het bevoegde gezag de IHK de door de aanvrager voorgelegde bescheiden ter beoordeling voorleggen. In op zichzelf staande gevallen kunnen Polizeidienststellen en verdere Strafvorderingsautoriteiten benaderd worden om na te gaan of er enige antecendenten zijn. In alle gevallen wordt het bedrijf in kwestie geïnformeerd over dergelijke onderzoeken.

Kosten

Voor een bewakingsonderneming die zich wil vestigen in Duitsland, geldt er een Anmeldungsgebuhr en een Erlaubnisgebuhr die betaald moeten worden! Voor incidentele operaties, wordt erop geattendeerd alles voor de zekerheid te regelen via de BKA/LKA.

Einde Erlaubnis

De Vergunning houdt op te bestaan met de dood van de eigenaar of het opheffen van het bedrijf. De vergunning kan niet worden overgedragen.

Vestigingsplicht

In de Duitse regelgeving wordt er niet gesproken over een vestigingsplicht. Dit wordt nog nader geverifieerd. Het Bundesinstituut vor Berufsausbildung verwijst voor dergelijke kwesties naar de plaatselijk IHK’s. Volgens hen zou er bij het IHK gevraagd kunnen worden voor een federale dekking van de activiteiten i.p.v. een gemeentelijke dekking

Legitimatieplicht

In Duitsland geldt er een Ausweispflicht (legitimatieplicht) voor private persoonsbeveiligers. Deze Ausweispflicht is neergelegd in §11 lid 1, 1ste volzin BewachV. De bewakingsonderneming dient diens personeel te verplichten hun identificatiekaart bij zich te dragen en deze te tonen op verzoek van de autoriteiten (§11 lid 3 BewachV).

Diploma-eisen

Op grond van §34a lid 1, 4de volzin j° §34a lid 1, 3de volzin, sub 3 GewO j° §1 en §9 lid 1 BewachV geldt er in Duitsland een diplomaplicht voor bewakingspersoneel. Deze verplichting geldt voor:

1) Personen, die het beroep ex §34a lid 1, 1ste volzin GewO als zelfstandige willen uitvoeren;

2) De juridische vertegenwoordiging van het de rechtspersoon, die met uitvoering van de in §34a genoemde activiteiten belast zijn;

3) De personen aan wie de leiding van een bedrijf is opgedragen;

4) Overige niet-zelfstandigen, die met de uitvoering van bewakingsactiviteiten ex §34a lid 1, 4de volzin GewO belast worden.

Voor beroepsbeoefenaars uit andere EG-lidstaten en staten behorende tot de EER gelden de regels inzake de Sachkundeprüfung (ex §5a t/m 5d BewachV). Dit wordt nog nader geverifieerd. Het Bundesinstituut vor Berufsausbildung verwijst voor dergelijke kwesties naar de plaatselijk IHK’s.

Beveiligingsactiviteiten in Monaco

Binnen de Europese Unie komt men steeds vaker de situatie tegen dat een particulier beveiligingsbedrijf uit de ene EU-lidstaat beveiligingsactiviteiten verricht op het grondgebied van een andere EU-lidstaat. Ook vanuit een Nederlands particulier beveiligingsbedrijf kan de wens bestaand om beveiligingsactiviteiten te verrichten op het grondgebied van andere EU-lidstaten.

In deze White paper komt aan de orde aan welke eisen een Nederlands particulier beveiligingsbedrijf dient te voldoen, die beveiligingsactiviteiten wenst te verrichten op het Monegaskisch grondgebied.  

Toepassingsgebied

In Monaco wordt de private persoonsbeveiliging geregeld in:
a) Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002 relative aux activités privées de protection des personnes et des biens (Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002); en
b) Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003 fixant des conditions d’application de la loi n° 1.264 du 23 décembre 2002 relative aux activités privées de protection des personnes et des biens (Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003)

Vergunningplicht

De vergunninggebondenheid

In Monaco wordt de vergunninggebondenheid geregeld in de Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002 en de Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003. In art. 5 lid 1 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002 wordt bepaald, dat private bewakingsactiviteiten, waaronder activiteiten op het gebied van private persoonsbeveiliging, alleen mogen worden uitgeoefend indien men beschikt over een autorisation (=vergunning). Deze autorisation wordt afgegeven door de Ministre d’Etat (ex art. 6 lid 1, 1ste volzin Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

Eigenschappen v/d vergunning

De autorisation kent de volgende eigenschappen:
1) De autorisation is persoonlijk en niet overdraagbaar (ex art. 6 lid 2 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).
2) De autorisation stelt limitatief vast: a) de duur; b) de activiteiten die kunnen worden uitgevoerd, c) de locaties waar men zich zou kunnen opstellen (ex art. 6 lid 1, 2de volzin Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).
3) De autorisation vermeldt de condities inzake de uitoefening van de te verrichten activiteiten (ex art. 6 lid 1, 2de volzin Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

N.B. De autorisation voor private persoonsbeveiliging wordt slechts verleend voor het verrichten van dergelijke activiteiten in gebouwen of eigendommen behorende tot het private domein (ex art. 3 lid 1 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002). De Ministre d’Etat kan echter op basis van door hem vastgestelde condities bepalen dat de activiteiten inzake private persoonsbeveiliging ook mogen worden uitgeoefend op de openbare weg of op plaatsen in het publieke domein gelegen (art. 3 lid 2 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002 j° art 7 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003).

De Vergunningeisen

Ex art. 5 lid 2 dient de bewakingsonderneming aan de volgende reeks vergunningeisen te voldoen:
a) Men dient qua beroepsbeoefenaar geheel betrouwbaar te zijn; Deze waarborg dient bij rechtspersonen te worden gegeven door alle afdelingshoofden, bestuurders en directeuren.
b) Men dient te beschikken over een locatie in Monaco, alwaar men het bureau gehuisvest heeft, de wapens bewaard alsmede de uitrusting die noodzakelijk is voor de uitoefening van de activiteiten waarvoor men geautoriseerd is.
c) Men dient te beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.

De eisen t.a.v. leidinggevenden

Niemand mag individueel activiteiten ontplooien inzake private persoonsbeveiliging, dan wel als directeur/leidinggevende door diens bewakingsonderneming dergelijke activiteiten doen laten uitvoeren, indien:

a) Hij het onderwerp is wegens gedragingen die strijdig zijn met de goede eer, zeden en integriteit, of enige schade kunnen toebrengen aan de veiligheid van personen of goederen (art. 7, onderdeel 1 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

b) Hij het onderwerp is van een veroordeling wegens een peine correctionelle of een peine criminele, met of zonder opschorting, definitief opgelegd (art.7, onderdeel 1 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

c) Hij tekortschiet zonder rehabilitering of indien hem een sanctie is opgelegd, wegens de ten uitvoerlegging van een beschikking op basis van a) een wettelijk voorschrift, b) een liquidatie van goederen, c) faillissement of

d) bankroetverklaring (art. 7, onderdeel 2 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

De eisen t.a.v. uitvoerenden

Een uitvoerende persoon mag niet belast worden met activiteiten inzake de private persoonsbeveiliging, indien:

a) Hij het onderwerp is wegens gedragingen die strijdig zijn met de goede eer, zeden en integriteit, of enige schade kunnen toebrengen aan de veiligheid van personen of goederen (art. 8 lid 1 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

b) Hij het onderwerp is van een veroordeling wegens een peine correctionelle of een peine criminele, met of zonder opschorting, definitief opgelegd (art.8 lid 1 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

N.B. Ter eerbieding van de Loi n° 913 du 17 juillet 1957 tendant à réglementer les conditions d’embauchage et de licenciement en Principauté, dienen de vergunningen ex art. 5 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002 voorafgaand verkregen te worden aan de vergunningverlening betreffende hun in diensttredende werknemers (art. 8 lid 2 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

De vergunningaanvraag

De aanvraag der autorisation wordt gedaan bij het Ministère d’Etat (ex art. 6 lid 1, 1ste volzin Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

De formaliteiten inzake de vergunningaanvraag voor buitenlandse ondernemingen

Ook bewakingsondernemingen uit het buitenland die private persoonsbeveiligingsactiviteiten willen exploiteren in Monaco, zijn verplicht om voorafgaand een autorisation aan te vragen bij de Ministre d’Etat (art. 9 lid 1, 1ste volzin Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003).
Om de aanvraag van de autorisation effect te geven dient men hieraan toe te voegen:
a) het nummer inzake de vergunning, welke afgegeven is door de autoriteiten van de staat, alwaar de bewakingsonderneming z’n statutaire zetel heeft (art. 9 lid 1, 2de volzin, 1ste zinsdeel Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003); en
b) een lijst van de personen die zullen deelnemen aan de missie (art. 9 lid 1, 2de volzin, 2de zinsdeel Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003).
c) een uitgebreide specificatie inzake eventueel te gebruiken kleding, waarmee men zich onderscheidt (art. 9 lid 3 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003).
d) een uitgebreide specificatie inzake de technische eigenschappen van de voertuigen die men voor de missie gebruiken wil, alsmede de registraties van deze voertuigen (art. 9 lid 3 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003).
e) een schrijven of men al dan niet gebruik zal maken van (vuur)wapens (art. 9 lid 2 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003); en
f) indien men daadwerkelijk (vuur)wapens zal gaan gebuiken, de wapenvergunning afgegeven door de autoriteiten van het land van herkomst (art. 9 lid 2 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003).

Wijzigingen inzake de vergunning

Elke verandering van de uit te voeren activiteiten of elke wijziging van de vergunninghouder dan wel wijziging van de locatie, vormt het object voor het afgeven van een nieuwe vergunning op basis van de formaliteiten en de condities ex art. 6 lid 1, 2de volzin Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002 (art. 6 lid 3 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002).

Vestigingsplicht

Ex art. 5 lid 2 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002 geldt de plicht voor bewakingsondernemingen dat zij moeten beschikken over een locatie in Monaco, alwaat zij hun bureau gehuisvest hebben. Onduidelijk is echter, of deze plicht ook geldt voor bewakingsondernemingen uit het buitenland.

Legitimatieplicht

Alle personen die zich bezighouden met het verrichten van activiteiten inzake private persoonsbeveiliging, dienen te beschikken over een Carte Professionnelle, welke afgegeven wordt door zijn werkgever (art. 6 lid 1 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003). Deze kaart omvat de naam, de voornamen, de rang van de kaarthouder, alsmede de naam, de zetelplaats en adres van diens werkgever (art. 6 lid 2 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003). De kaart bevat tevens een foto van de kaarthouder, een identificatie van de aan diens werkgever door de autoriteiten verstrekte vergunning (art. 6 lid 3 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003). Hij dient deze Carte Professionnelle te tonen op verzoek van de publieke autoriteiten en dient het in te leveren bij de werkgever, wanneer hij het arbeidscontract beëindigd (art. 6 lid 4 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003).

Diploma-eisen

In zowel de Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002 als de Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003 wordt er niet gesproken over bepaalde diploma-esien voor een bewakingsonderneming.

Kleding-eisen

Normaliter gelden er kledingvoorschriften voor het uitvoerende personeel van een bewakingsonderneming (art. 10 lid 1 Loi n° 1.264 du 23 décembre 2002). Uitzondering genieten echter de persoonsbeveiligers die discreet te werk moeten gaan (art. 1 en 2 Ordonnance Souvraine n° 15.699 du 26 février 2003).

Beveiligingsactiviteiten in België

Binnen de Europese Unie komt men steeds vaker de situatie tegen dat een particulier beveiligingsbedrijf uit de ene EU-lidstaat beveiligingsactiviteiten verricht op het grondgebied van een andere EU-lidstaat. Ook vanuit een Nederlands particulier beveiligingsbedrijf kan de wens bestaand om beveiligingsactiviteiten te verrichten op het grondgebied van andere EU-lidstaten.

In deze White paper komt aan de orde aan welke eisen een Nederlands particulier beveiligingsbedrijf dient te voldoen, die beveiligingsactiviteiten wenst te verrichten op het Belgische grondgebied.  

Toepassingsgebied

In België wordt de private persoonsbeveiliging geregeld in:
1) Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid;
2) Koninklijk Besluit van 21 mei 1991 betreffende het verlenen van vergunningen aan bewakingsondernemingen of interne bewakingsdiensten, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 15 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 13 juni 2002 betreffende de voorwaarden tot het verkrijgen van een verklaring van een erkenning als beveiligingsonderneming;
3) Koninklijk Besluit van 24 mei 1991 tot vaststelling van de regels aangaande de procedure tot schorsing of intrekking van de vergunningen of erkenningen bepaald in de wet van 10 april 1990 (…);
4) Koninklijk Besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden; en
5) Koninklijk Besluit 30 december 1999 betreffende de vereisten inzake beroepsopleiding en -ervaring, de vereisten inzake medisch en psychotechnisch onderzoek voor het uitoefenen van een leidinggevende of een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst en betreffende de erkenning van de opleidingen.

De Belgische wetgeving maakt een differentiatie tussen Bewakingsondernemingen, Interne bewakingsdiensten, Beveiligingsondernemingen, Ondernemingen voor veiligheidsadvies, Opleidingsinstellingen en Veiligheidsdiensten. Deze ondernemingen kunnen zowel natuurlijke als rechtspersonen zijn. Ingevolge art. 1 §1, sub 1° Wet van 10 april 1990 valt de private persoonsbeveiliging onder de categorie van diensten die een Bewakingsonderneming blijvend of tijdelijk kan leveren aan een derde.

Vergunningplicht

Vergunninggebondenheid

In België wordt de vergunninggebondenheid geregeld in art. 2 Wet van 10 april 1990. Ingevolge §1 lid 1 van dit artikel mag niemand de diensten van een bewakingsonderneming (in dit geval private persoonsbeveiliging) aanbieden of zich als dusdanig bekend maken, indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft gekregen van de Minister van Binnenlandse Zaken, na advies van de Veiligheid van de Staat en de van de Procureur des Konings van de vestigingsplaats van de onderneming en, bij ontstentenis ervan, van de Minister van Justitie. De vergunning kan het uitoefenen van bepaalde activiteiten en het aanwenden van bepaalde middelen en methodes uitsluiten of aan specifieke voorwaarden verbinden (art. 2 §1, lid 2 Wet van 10 april 1990).

De bewakingsondernemingen mogen geen andere activiteiten uitoefenen dan die opgesomd in art. 1 §1 Wet van 10 april 1990, en waarvoor zij een krachtens §1 verleende vergunning hebben verkregen (art. 2 §2, lid 1, 1ste volzin Wet van 10 april 1990). De vergunning vermeldt de vergunde activiteiten en wordt eerst verleend indien de aanvrager voldoet aan alle voorschriften van de Wet van 10 april 1990 en de aan de door de Koning vastgestelde minimumvereisten inzake personeel en organisatorische, technische en infrastructurele middelen waarover de onderneming dienst of instelling moet beschikken (art. 4bis §1 lid 1 Wet van 10 april 1990).

De activiteiten inzake private persoonsbeveiliging mogen niet uitgeoefend worden ten behoeve van publiekrechtelijke rechtspersonen behoudens toestemming van de Minister van Binnenlandse Zaken (art. 2 §2, lid 2 Wet van 10 april 1990).

Geen bewakingsonderneming mag de in art. 1 §1 bedoelde activiteiten uitoefenen indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, niet gedekt is door een verzekering die de bewakingsonderneming heeft gesloten bij een verzekeringsonderneming die erkend is of van erkenning ontslagen is krachten de Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (art. 3 lid 1 Wet van 10 april 1990).

Vergunningeisen

In België worden vergunningeisen voor bewakingsondernemingen geregeld in art 5 en 6 Wet van 10 april 1990. Daarbij maakt men een onderscheid tussen enerzijds personen die met de leiding van de onderneming belast zijn of in de raad van bestuur zitten en anderzijds personen die de werkzaamheden uitvoeren. Het onderscheidt tussen vergunningaanvragers met en zonder een vestigingsplaats in België ziet men niet terug in speciaal opgemaakte vergunningeisen.

De vergunningaanvrager dient ervoor te zorgen dat zowel leidinggevenden/bestuurders als uitvoerenden voldoen aan een achttal voorwaarden:
1) Een leidinggevende of lid van de raad van bestuur mag niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of geldstraf (artikel 5 lid 1, sub 1º, 1ste al.); Uitvoerend personeel mag niet veroordeeld zijn geweest, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van tenminste 6 maanden wegens enig misdrijf, tot een gevangenisstraf van ten minste 3 maanden wegens opzettelijke slagen of verwondingen, tot een gevangenisstraf of andere straf wegens delicten limitatief opgesomd in dit sub-lid (artikel 6 lid 1, sub 1º, 1ste al.)
2) Onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie (art. 5 lid 1, sub 2º resp. art. 6 lid 1, sub 2º);
3) Hun hoofdverblijfplaats hebben in een lidstaat van de Europese Unie (art. 5 lid 1, sub 3º resp. art. 6 lid 1, sub 3º);
4) Niet tegelijkertijd werkzaamheden van privé-detective uitoefenen die, doordat ze wordt uitgeoefend door dezelfde persoon die ook een leidinggevende resp. uitvoerende functie uitoefent, een gevaar kan opleveren voor de openbare orde of voor de in- of uitwendige veiligheid van de Staat (art. 5 lid 1, sub 4º resp. art. 6 lid 1, sub 4º);
5) Voldoen aan de door de koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en -vorming en beroepservaring (art. 5 lid 1, sub 5º resp. art. 6 lid 1, sub 5º);
6) Sinds vijf jaar geen lid zijn geweest van een politie- of inlichtingendienst zoals bepaald in de Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten (18 juli 1991), noch een militair of openbaar ambt hebben bekleed dat voorkomt op een door de Koning bepaalde lijst, met dien verstande dat die termijn op tien jaar wordt gebracht voor degenen die werden afgezet of van ambtswege ontslagen uit het ambt(art. 5 lid 1, sub 6º resp. art. 6 lid 1, sub 6º)
7) De leidinggevende of bestuurder moet minimaal 21 jaar oud zijn en de uitvoerende minimaal 18 jaar (art. 5 lid 1, sub 7º resp. art. 6 lid 1, sub 7º).
8) Voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor een leidinggevende-bestuurdersfunctie of uitvoerende functie, en geen feiten gepleegd hebben, die, zelfs als ze niet voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene (art. 5 lid 1, sub 8º resp. art. 6 lid 1, sub 8º)

De bovengenoemde punten dienen cumulatief te worden nageleefd (ex art. 6, lid 7 Wet van 10 april 1990). Indien de bewakingsondernemingen rechtspersonen zijn, moeten zij opgericht zijn volgens de in het Belgisch recht geldende bepalingen of overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie. De exploitatiezetel van de bewakingsonderneming moet in een lidstaat van de Europese Unie gelegen zijn (art. 2 §3 Wet van 10 april 1990).

Vergunningaanvraag

In België wordt de vergunningaanvraag voor bewakingsondernemingen geregeld in het Koninklijk Besluit van 21 mei 1991 betreffende het verlenen van vergunningen aan bewakingsondernemingen of interne bewakingsdiensten, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 15 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 13 juni 2002 betreffende de voorwaarden tot het verkrijgen van een verklaring van een erkenning als beveiligingsonderneming (KB 21 mei 1991).

Elke persoon die een vergunning aanvraagt om een bewakingsonderneming uit te oefenen richt daartoe een verzoek bij ter post aangetekende brief aan de Minister van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie (art. 2 lid 1).

Ex lid 2 van dit artikel dient deze aanvraag de volgende bescheiden en inlichtingen te bevatten:
1) de oprichtingsakte en de statuten van de vennootschap (art. 2 lid 2, 1º, sub a);
2) de lijst van personen die in de raad van bestuur zitting hebben met opgave van naam, voornamen, geboortedatum, nationaliteit en volledig adres (art. 2 lid 2, 1º, sub b);
3) het inschrijvingsnummer in het handelsregister en een kopie van het inschrijvingsbewijs (art. 2 lid 2, 2º, sub a);
4) het bewijs dat kan voldaan worden aan de voorwaarden bepaald in het KB van 14 mei 1991 betreffende de technische uitrusting van bewakingsondernemingen, beveiligingsondernemingen en interne bewakingsdiensten (art. 2 lid 2, 2º, sub b);
5) een lijst van het leidinggevend en uitvoerend personeel met opgave van naam, voornamen, geboortedatum, nationaliteit, volledig adres en feit of het voor of na 29 mei 1990 in dienst was (art. 2 lid 2, 2º, sub d);
6) een origineel of een kopie van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag bestemd voor een openbaar bestuur, of een gelijkwaardig getuigschrift indien die personen hun woonplaats in het buitenland hebben. Het getuigschrift van goed zedelijk gedrag of het gelijkwaardig getuigschrift mag niet meer dan zes maanden oud zijn op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend (art. 2 lid 2, 3º); en
7) In de aanvraag dient bovendien duidelijk te worden vermeld welke activiteiten bedoeld in art. 1, §§1 en 2 Wet van 10 april 1990 wordt aangevraagd (art. 2 lid 3).

EU/EER

N.B. Indien de aanvrager van de vergunning geen exploitatiezetel heeft in België, houdt de Minister van Binnenlandse Zaken bij de beoordeling van de aanvraag rekening met de waarborgen verstrekt in het kader van de wettelijke en gereglementeerde uitoefening van de activiteiten, waarop de aanvraag betrekking heeft, in een andere lidstaat van de Europese Unie (Art. 4bis 1 lid 2 Wet van 10 april 1990).

Beslissing tot Vergunningverlening

In de Belgische wetgeving voor private persoonsbeveiliging treft men geen bepaling aan voor de termijn waarbinnen de aanvrager op de hoogte wordt gesteld omtrent het verlenen of weigeren van een vergunning.

De duur van de vergunning

De vergunning wordt verleend voor een termijn van 5 jaar. Zij kunnen voor gelijke termijnen worden vernieuwd (art. 4bis 1 lid 3 Wet van 10 april 1990). De aanvragen tot vernieuwing moeten ten minste 6 maanden voor het aflopen van de vergunning ingediend worden bij de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie (art. 7 KB 21 mei 1991).

De kosten van de vergunning

Om de kosten voor de administratie, investering en toezicht, nodig voor de toepassing van de Wet van 10 april 1990 en de uitvoeringsbesluiten te dekken, bepaalt de Koning, het tarief, de termijn en de wijze van betaling van de restitutie die aan de onderneming, dienst of instelling voor de activiteiten waarvan een vergunning of een erkenning vereist is, moeten worden aangerekend (ex art. 20 §1 Wet van 10 april 1990).

Op grond van het KB 8 februari 1999 onderscheidt men drie betalingsplichten, nl. 1) Het jaarlijks contributiebedrag (15.000 BFR), 2) De eenmalige administratiekosten (20.000 BFR) en 3) de kosten inzake de ID-kaarten (500 BFR).

De jaarlijkse contributie dient uiterlijk op 31 augustus, van het jaar waarop de restitutie betrekking heeft, betaald te worden (ex art. 6 §1 lid 1 KB 8 februari 1999). Bij het bekomen van de 1ste vergunning als bewakingsonderneming na 31 juli dienen deze bedragen echter betaald te worden binnen de maand na de kennisgeving van de bekomen vergunning of de bekomen erkenning (ex art. 6 §1 lid 2 KB 8 februari 1999).
De retributie voor de afgifte van een identificatiekaart wordt bepaald op het tijdstip waarop de bewakingsonderneming verzoekt om een formulier voor het aanvragen van een identificatiekaart (art. 1 lid 1 Ministerieel Besluit tot vaststelling van de procedure voor de betaling van de retributie voor de afgifte van de identificatiekaarten voor het personeel van bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten).

Schorsing of Intrekking van de vergunning

De vergunning kan geschorst of ingetrokken worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 17 Wet van 10 april 1990 (artikel 4 §1 lid 4, 1ste volzin Wet van 10 april 1990). In sub 1° van dit artikel wordt bepaald dat de Minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig een door de Koning te bepalen procedure, de verleende vergunning, voor alle of voor sommige activiteiten, voor alle plaatsen waar die activiteit worden uitgeoefend of sommigen ervan, kan intrekken of voor een termijn van ten hoogste 6 maanden schorsen wanneer een in art. 1 Wet van 10 april 1990 bedoelde onderneming a) de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of b) niet meer aan de voorwaarden ervan voldoet of c) activiteiten uitoefent die onverenigbaar zijn met de openbare orde of de inwendige of de uitwendige veiligheid van de staat, of d) wanneer gebreken werden vastgesteld in de controle die door dergelijke ondernemingen wordt uitgeoefend op de naleving van de bepalingen van deze wet door hun personeelsleden of de personen die voor hun rekening werken.
De procedure inzake schorsing en/of intrekking van vergunningen wordt nader uitgewerkt in het Koninklijk Besluit van 24 mei 1991 tot vaststelling van de regels aangaande de procedure tot schorsing of intrekking van de vergunningen of erkenningen bepaald in de wet van 10 april 1990 (…) (KB 24 mei 1991).

Vestigingsplicht

In België wordt aan de vergunningplicht voor private persoonsbeveiliging geen vestigingsplicht gekoppeld.

Legitimatieplicht

Identificatiekaartgebondenheid

In België wordt de legitimatieplicht voor private persoonsbeveiligers geregeld in art. 8 §3 Wet van 10 april 1990. Conform dit artikel wordt er een onderscheidt gemaakt tussen enerzijds personen die een verblijfplaats hebben in België en anderzijds personen die geen verblijfplaats hebben in België. De personen die de werkelijke leiding van een onderneming en de personen die de in art. 1 §1, 3 en 6 Wet van 10 april 1990 bedoelde activiteiten uitvoeren moeten, indien zij een verblijfplaats hebben in België, houder zijn van een identificatiekaart, waarvan het model door de Minister van Binnenlandse Zaken wordt vastgesteld. Deze verplichting geldt ook voor dit soort personen, indien zij geen verblijfplaats hebben in België en zij activiteiten verrichten als bedoeld in art. 1 §1, lid 1, 5° tot 7° Wet van 10 april 1990 (art. 8 §3, lid 1, 1ste volzin Wet van 10 april 1990). De private persoonsbeveiliging vallen buiten deze categorie (ex art. 1 §1, lid 1, 2° Wet van 10 april 1990).

N.B. Dit zou impliceren, dat leidinggevend en uitvoerend personeel van een Nederlandse bewakingsorganisatie in België geen identificatiekaart nodig heeft voor het uitoefenen van activiteiten in het kader van de private persoonsbeveiliging. Desalniettemin is het toch noodzakelijk om zo’n identificatiekaart aan te vragen: a) vanwege het feit dat er raakvlakken kunnen zijn met andere activiteiten en b) vanwege het feit dat de regelgeving omtrent private persoonsbeveiliging continu aan veranderingen onderhevig is.

Personen bedoeld in art. 8 §3, lid 1 Wet van 10 april 1990 kunnen de activiteiten dus slechts uitoefenen als zij de identificatiekaart dragen. De personen die niet onderworpen zijn aan de verplichting tot het bezitten van een identificatiekaart, kunnen deze activiteiten slechts uitoefenen als zij de identificatiekaart of documenten dragen, bepaald door de Koning, waaruit blijkt dat zij aan alle wettelijke voorwaarden of minstens aan de voorwaarden die een gelijkwaardige waarborg bieden, voldoen. Er bestaat een verplichting deze identificatiekaart of deze documenten te overhandigen bij elke vordering van de personen bedoeld in art. 16 Wet van 10 april 1990 (art. 8 §3, lid 3 Wet van 10 april 1990).

De personen die de in artikel 1, § § 1 en 3 bedoelde activiteiten uitoefenen, moeten bij de uitoefening van hun activiteiten de identificatiekaart op een duidelijke wijze dragen. N.B. Het is vreemd dat een buitenlandse beveiligingsonderneming slechts voor een beperkt aantal activiteiten in §1 neergelegd, een identificatiekaart nodig heeft. Ook om deze reden is het raadzaam om een dergelijke identificatiekaart aan te vragen bij de Belgische autoriteiten.

Voorwaarden voor het afgeven van een identificatiekaart

De voorwaarden voor de afgifte van de identificatiekaart wordt geregeld in het Koninklijk Besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden (KB 26 september 2005) en de Wet van 10 april 1990. De identificatiekaart wordt afgegeven door de Minister van Binnenlandse Zaken of een door hem aangewezen ambtenaar indien de betrokkene voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5 of 6 Wet van 10 april 1990. Indien de betrokkene geen verblijfplaats heeft in België, dan dient hij minstens te voldoen aan de voorwaarden die een gelijkwaardige waarborg bieden (art. 8 §3, lid 2 Wet van 10 april 1990).

De betrokken dient per onderneming waarvoor hij leidinggevende of uitvoerende taken uitvoert, in het bezit te zijn van een afzonderlijke kaart die in overeenstemming is: 1) met de opleiding(en) die hij met succes gevolgd heeft; 2) de activiteiten, waarvoor de onderneming vergund of erkend is (art. 5 KB 26 september 2005).

Een kaart wordt afgeleverd nadat: 1) door de administratie is vastgesteld dat de betrokkene voldoet aan alle wettelijke voorwaarden voor het uitvoeren van de beoogde activiteiten; en 2) de onderneming een aanvraag gericht heeft tot de administratie overeenkomstig Hoofdstuk IV van het KB 26 september 2005 (art. 6 KB september 2005).

Aanvraag identificatiekaart

Ook de aanvraag van de identificatiekaart wordt geregeld in het Koninklijk Besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden (KB 26 september 2005).

De bewakingsonderneming richt de aanvraag tot het bekomen/vernieuwen van een identificatiekaart slechts aan de Directie Private Veiligheid bij de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid bij de FOD Binnenlandse Zaken (verder: de administratie), nadat ze de naam, het telefoonnummer en het elektronisch contactadres van de “contactpersoon aanvragen kaart” heeft overgemaakt aan de administratie (ex art. 2 lid 1 en art. 8 KB 26 september 2005). De “contactpersoon aanvragen kaart” betreft de persoon, door de onderneming aangeduid, als contactpersoon met de administratie aangaande aanvragen, bedoeld in hoofdstuk van het KB 26 september 2005 (ex art. 1, sub 13° KB 26 september 2005). In bijlage I bij het KB 26 september 2005, treft men “de overmaking”.

De aanvraag is slechts geldig nadat aan de administratie de in art. 11 bedoelde documenten en de in art. 12 bedoelde gegevens zijn overgemaakt (ex art. 10 KB 26 september 2005).
Ex artikel 11 dienen bij de aanvraag de volgende documenten te worden gevoegd:
1) Een origineel van het getuigschrift van goed zedelijk gedrag, of een gelijkwaardig getuigschrift indien de betrokkene zijn woonplaats heeft in het buitenland. Het getuigschrift mag niet meer dan zes maanden oud zijn op het ogenblik van indienen van de aanvraag;
2) Een aanvraagformulier, afgeleverd door de administratie, dat behoorlijk ingevuld is en waarop de onderneming een pasfoto van betrokkene heeft aangebracht; en
3) Een behoorlijk ingevuld document van schriftelijke instemming met het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden bedoeld in art. 7 §2 lid 2 Wet van 10 april 1990.
Ex artikel 12 dienen bij de aanvraag de volgende gegevens aangaande betrokkene te worden gevoegd.
1) Naam en voornaam
2) Adres en woonplaats
3) Geboorteplaats en geboortedatum
4) Taal (N/F/D)
5) Het rijksregistratienummer
6) Functie: code zoals vastgelegd en omschreven in het Ministerieel Besluit tot vaststelling van het model van de identificatiekaart.
7) Datum in dienst
8) Datum van het bewijs van goed gedrag en zeden dat het recentst werd overhandigd aan de onderneming;
9) Volgnummer van de kaart, zoals vermeld op het aanvraagformulier bedoeld in artikel 11, 2°;
10) Datum van aanvraag van de kaart;
11) Datum van de schriftelijke instemming met het onderzoek naar veiligheidsvoorwaarden bedoeld in art. 7 Wet van 10 april 1990.
De gegevens ex artikel 12, onder 1° en 3° en in het voorkomend geval, 2° en 4°, moeten identiek zijn als deze zoals ze voorkomen voor de betrokkene, onderdaan van de Europese Unie , die in België geen woonplaats heeft: de identiteitsdocumenten afgeleverd door de EU-lidstaat, waar de betrokkene zijn woonplaats heeft (ex art. 12 §2, sub 3° KB 26 september 2005).

Plaats van de afgifte identificatiekaart

De kaarten dienen te worden afgegeven in de kantoren van de administratie, tenzij de onderneming uitdrukkelijk verzocht om deze haar per aangetekende zending over te maken (ex art. 13 KB 26 september 2005).

Weigering van de identificatiekaart

Indien de betrokkene niet voldoet aan één of meerdere objectieve uitoefeningsvoorwaarden, ex art. 5 lid 1, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° of 7° Wet van 10 april 1990, voor wat betreft het leidinggevend personeel van een bewakingsonderneming en art. 6 lid 1, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° of 7° Wet van 10 april 1990, voor wat betreft het uitvoerende personeel van een bewakingsonderneming, wordt de identificatiekaart geweigerd te verstrekken (art. 17 §1 KB 26 september 2005). Indien wordt overwogen aan betrokkene een identificatiekaart te weigeren, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden bepaald, voor wat betreft het leidinggevende personeel, in art. 5 lid 1, 4° en 8° Wet van 10 april 1990, of voor wat betreft het uitvoerende personeel, in art. 6 lid 1, 4° en 8° Wet van 10 april 1990, wordt de procedure, voorzien in art. 18 t/m 23, toegepast (ex art. 17 §2 KB 26 september 2005).

Geldigheid Identificatiekaart

De identificatiekaart is geldig voor een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de aanvraag ervan en kan voor gelijk termijnen worden vernieuwd. De datum waarop de aanvraag voor de aanmaak van de identificatiekaart werd overgemaakt aan de administratie, wordt beschouwd als de begindatum van de geldigheidsperiode van de kaart (art. 7 KB 26 september 2005).

De aanvraag van de vernieuwing van de identificatiekaart geschiedt uiterlijk 6 maanden voor de vervaldatum van de definitieve kaart (art. 8, lid 2 KB 26 september 2005).

Terugsturen identificatiekaart

Ex art. 15 KB 26 september 2005 moet de bewakingsonderneming de identificatiekaart binnen 14 dagen terugsturen naar de administratie, nadat:
1) de geldigheidsdatum overschreden is;
2) de foto van de houder van de kaart niet meer gelijkend is;
3) de kaart beschadigd is;
4) de betrokkene van naam of voornaam verandert;
5) de betrokkene niet langer voldoet aan de alle voorwaarden bepaald;
6) de betrokkene zijn activiteiten bij de onderneming definitief heeft beëindigd.

Wanneer de betrokkene zijn activiteiten bij een bewakingsonderneming beëindigt: 1) dient deze bewakingsonderneming de betrokkene diens documenten binnen 5 dagen te overhandigen of aangetekend toe te sturen; 2) dient de betrokkene zijn identificatiekaart binnen 5 dagen aan de onderneming te overhandigen of deze aangetekend toe te sturen; 3) dient de bewakingsonderneming aan de administratie de volgende gegevens aangaande de betrokkene over te maken, nl.: a) naam en voornaam; b) adres van de woonplaats; c) geboorteplaats en geboortedatum; d) rijksregisternummer; e) datum uit dienst (art. 14 KB 26 september 2005).

Diploma-eisen

In tegenstelling tot Nederland zijn in België diploma-eisen gekoppeld aan de vergunningverlening. Deze diploma-eisen worden deels geregeld in art. 5 en 6 Wet van 10 april 1990. Zowel een leidinggevende/bestuurder als degene die de beveiligingsactiviteiten uitvoert, dient te voldoen aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en -vorming en beroepservaring. Hierbij wordt er gedoeld op het Koninklijk Besluit 30 december 1999 betreffende de vereisten inzake beroepsopleiding en -ervaring, de vereisten inzake medisch en psychotechnisch onderzoek voor het uitoefenen van een leidinggevende of een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst en betreffende de erkenning van de opleidingen (KB 30 december 1999).

Niemand kan de functie van leidinggevend of uitvoerend personeel uitoefenen, tenzij hij houder is van een bekwaamheidsattest (art. 2 resp. 4 KB 30 december 1999). Het leidinggevend personeel hoeft niet over een “bekwaamheidsattest opleiding leidinggevend personeel” te beschikken, indien het, mits inachtneming van de bepalingen voorzien in art. 6 §2 KB 30 december 1999, over een buitenlandse opleidingstitel “leidinggevend personeel” beschikt (art. 3, 2° KB 30 december 1999). Het uitvoerend personeel hoeft niet over een bekwaamheidsattest te beschikken die overeenstemmen met de beoogde activiteit, indien het, mits inachtneming van de bepalingen voorzien in art. 6 §2 KB 30 december 1999, over een buitenlandse opleidingstitel “uitvoerend personeel” beschikt (art. 5, 2° KB 30 december 1999).

De persoon die een beroep doet op de uitzondering voorzien in art. 3, 2° of 5, 2° KB 30 december 1999, richt zich hiertoe per aangetekend schrijven aan de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie een aanvraag tot de Minister van Binnenlandse Zaken (art. 6 §1 lid 1 KB 30 december 1999).

De aanvrager staaft zijn aanvraag met de volgende originele documenten of eenvormig verklaarde afschriften ervan:
a) de buitenlandse opleidingstitel, waarop de aanvrager zich beroept (lid 2, sub 1°);
b) het bewijs dat de buitenlandse opleidingstitel in het land van oorsprong van de aanvrager toegang verleent tot het verrichten van de activiteiten, zoals bedoeld in art. 1 §1 Wet van 10 april 1999 (lid 2, sub 2°);
c) het bewijs dat een bevoegde instantie, die is aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Staat van uitreiking, de titel heeft afgeleverd (lid 2, sub 3°);
d) de wetgeving die de toegang regelt tot het verrichten van de activiteiten, zoals bedoeld in art. 1 §1 Wet van 10 april 1999, in het land van herkomst van de aanvrager (lid 2, sub 4°); en
e) de syllabi en/of collegedictaat (lid 2, sub 5°)

De Minister van Binnenlandse Zaken beslist binnen 4 maanden nadat de volledigheid van het dossier is vastgesteld omtrent het onderzoek (art. 6 §2 KB 30 december 1999).