De nieuwe Wet Zorg en Dwang (WZD) – Procedure in hoofdlijnen

Met ingang van 1 januari 2020 is de Wet BOPZ vervangen door drie (3) nieuwe wetten: (a)  Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (verder: WVGGZ), (b) Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (verder: WZD), en (c) Wet forensische zorg (verder: WFZ).

§1            Cliënt en zorg

Twee begrippen bepalen de reikwijdte van de WZD: cliënt en zorg. Het begrip cliënt wordt in artikel 1 lid 1 sub c WZD gedefinieerd als mensen die in verband met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap zijn aangewezen op zorg, zoals dat begrip is gespecificeerd in artikel 1 lid 3 WZD. Die zorg kan volgens dit lid bestaan uit: de bejegening, verzorging, verpleging, behandeling, begeleiding, bescherming, beveiliging, en onvrijwillige zorg als bedoeld in artikel 2 WZD. Door in de definitie van cliënt niet de Wet langdurige zorg indicatie voorop te stellen komt volgens de MVT (verder: MVT) de brede reikwijdte van de Wet zorg en dwang beter tot uitdrukking. Het vaststellen of er sprake is van een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke beperking zal een ter zake kundige arts doen aan de hand van algemeen aanvaarde normen zoals die op dat moment gelden binnen de sector.

§1.1.Onvrijwillige zorg

Dwang, aangeduid als onvrijwillige zorg, wordt in de WDZ gezien als een manier van ingrijpen die een aantasting betekent van fundamentele rechten zoals het recht op vrijheid en het recht op eerbiediging van het privéleven. Onvrijwillige zorg is zorg waarmee een cliënt of zijn vertegenwoordiger niet heeft ingestemd of waartegen een cliënt zich verzet (artikel 2 lid 1 WZD).

§1.2.        Verzet: artikel 3a

Uitgangspunt in de zorg is dat een cliënt alleen die zorg ondergaat die hij wenst. Om die reden wordt bij het begin van de zorg een zorgplan gemaakt. Uit de instemming van een cliënt of zijn vertegenwoordiger met dit plan blijkt de instemming met de zorgverlening. Intrekking van die instemming kan, door vertegenwoordiger of cliënt, met zoveel woorden gebeuren. Bij mensen met dementie of een verstandelijke beperking zal het echter veel vaker gaan om het tonen van een vorm van verzet, waardoor de zorgverlener weet dat een cliënt niet langer instemt.

Verzet wordt volgens de MVT gedefinieerd als de tegenstand die een cliënt of bewoner actueel vertoont tegen een hem/haar betreffende vorm van zorg en/of behandeling omdat die door hem/haar wordt ervaren als niet juiste vorm van machtsuitoefening. De term ‘machtsuitoefening’ geeft niets anders weer dan dat in de zorg vrijwel altijd sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Daarbij wordt de ‘macht’ van de zorgverlener in principe ingezet om voor een cliënt, die immers zelf beperkingen kent, dingen te doen: wassen, dag structureren, etc. Soms wordt dat door een cliënt niet als juist ervaren; een cliënt wil bepaalde vormen van verzorging niet ondergaan. En in andere gevallen is een cliënt juist vastbesloten bepaalde acties wel te ondernemen en bestaat de machtsuitoefening eruit dat hem dat wordt belet.

Artikel 3a WZD bepaalt wanneer er sprake is van verzet en wanneer er sprake is van instemming. Het artikel is geharmoniseerd met artikel 1:4 van de WVGGZ. Met het artikel is een bepaling opgenomen voor de situatie van kinderen onder de 12 jaar, waarbij de wettelijk vertegenwoordiger de beslissingen neemt.

§1.3.        Vormen van onvrijwillige zorg

In artikel 2 WZD worden de inbreuken op de vrijheidsrechten van een cliënt genoemd die onder de wet vallen. Er worden in lid 1 negen vormen van onvrijwillige zorg onderscheiden: (a) toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede doorvoeren van medische controles of andere medische handelingen en overige therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychogeriatrische aandoening, verstandelijke handicap, een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie hiervan, dan wel vanwege die aandoening, handicap of stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening; (b) beperken van de bewegingsvrijheid; (c)insluiten; (d) uitoefenen van toezicht op betrokkene; (e) onderzoek aan kleding of lichaam; (f) onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen; (g) controleren op de aanwezigheid van gedrag beïnvloedende middelen; (h) aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder begrepen het gebruik van communicatiemiddelen; (i) beperken van het recht op het ontvangen van bezoek.

In het kader van de harmonisatie van de WVGGZ en de WZD wordt in de WZD voor ‘onvrijwillige zorg’ zoveel mogelijk eenzelfde formulering gehanteerd als in de WVGGZ voor ‘verplichte zorg’. De formulering van de gebruikte termen noch de opsomming van de zorghandelingen kan echter volgens de tweede nota van wijziging geheel gelijkgesteld worden gelet op de verschillende opzet van beide wetten. De maatregelen waaruit verplichte zorg en onvrijwillige zorg kunnen bestaan, zijn in beide wetten grotendeels gelijk. Een uitzondering hierop is verplichte opname in een accommodatie. Dit valt in de WVGGZ onder verplichte zorg. In de WZD is de procedure van onvrijwillige opname in een accommodatie apart geregeld in hoofdstuk 3 en is zodoende geen onvrijwillige zorg die middels het stappenplan in het zorgplan kan worden opgenomen. Daarnaast kan op grond van artikel 3:4 van de WVGGZ verplichte zorg voor meer doelen worden aangewend dan het afwenden van ernstig nadeel en zijn bepalingen ten aanzien van verplichte zorg ook van toepassing op maatregelen die vallen onder het juridische regime voor forensische patiënten die geplaatst worden in een accommodatie als bedoeld in de WVGGZ. De zorghandelingen die onder onvrijwillige zorg vallen zijn limitatief van aard. Dat is gedaan om betrokkene meer rechtswaarborgen te bieden over de onvrijwillige zorg die toegepast kan worden.

§1.4.        De criteria voor onvrijwillige zorg

Artikel 10 lid 1 WZD verwoordt om elk mogelijk misverstand te voorkomen expliciet het ‘nee, tenzij’ uitgangspunt van de Wet zorg en dwang. Fundament van de Wet zorg en dwang wordt gevormd door het ultimum remedium beginsel. Onvrijwillige zorg kan alleen als laatste redmiddel worden ingezet als er geen adequate alternatieven meer voorhanden zijn. Eerst zullen alle alternatieven die op vrijwilligheid gebaseerd zijn, volledig moeten worden benut voordat dwang kan worden overwogen. In alle stadia en bij ieder beslissing op grond van de WZD is ’nee, tenzij’ het uitgangspunt. Ook is in dit eerste lid de relatie met het deskundigenoverleg op grond van artikel 9 en de uitvoering van een zorgplan dat op grond van artikel 9 WZD is opgesteld duidelijk gemaakt. Als blijkt dat het zorgplan, met vrijwillige zorg, nadat toepassing is gegeven aan artikel 9 WZD, niet voldoet aan de zorgbehoefte van een cliënt waardoor een situatie van ernstig nadeel kan ontstaan, kan toepassing worden gegeven aan artikel 10 WZD.

Artikel 10 lid 2 WZD geeft de (andere) criteria waaraan getoetst moet worden wanneer wordt overwogen onvrijwillige zorg in het zorgplan op te nemen. Aan de criteria van lid 2 moet overigens op basis van artikel 13 WZD ook getoetst worden bij de daadwerkelijke toepassing van onvrijwillige zorg.

  • De eerste voorwaarde is dat er sprake moet zijn van ernstig nadeel als gevolg van het gedrag van een cliënt als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke beperking, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of combinatie hiervan. Volgens de MVT komt het in de praktijk regelmatig voor dat cliënten die gediagnosticeerd zijn met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke beperking, daarnaast nog psychische stoornissen vertonen, zoals een jongere met een lichte verstandelijke beperking én een zware vorm van ADHD. Indien zich bij die cliënten een vorm van ernstig nadeel voordoet, is niet altijd duidelijk aan welke oorzaak het ernstig nadeel is toe te schrijven. Voor de wens van het afwenden van het ernstig nadeel, maakt het geen verschil of het nadeel veroorzaakt wordt door het gedrag vanwege de psychogeriatrische aandoening of verstandelijke beperking, dan wel de andere psychische stoornis. Het gaat dan om een cliënt waarvan al is vastgesteld dat hij zorg nodig heeft in het kader van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke beperking. Door de gekozen formulering kan het ernstig nadeel dus verschillende oorzaken hebben. De definitie voor ‘ernstig nadeel’ is dezelfde als in de WVGGZ. De onderdelen waar ‘het bestaan van of het aanzienlijk risico op’ ernstig nadeel uit kan bestaan zijn elementen waar nu ook reeds in de jurisprudentie op grond van de Wet BOPZ rekening mee wordt gehouden.
  • De onvrijwillige zorg dient noodzakelijk te zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden;
  • De onvrijwillige zorg dient geschikt te zijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden en gelet op het beoogde doel evenredig zijn;
  • Er dienen geen minder ingrijpende mogelijkheden te zijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.

Deze eisen van proportionaliteit, doelmatigheid en subsidiariteit houden rechtstreeks verband met het feit dat het gaat om onvrijwillige zorg, die slechts mag worden ingezet als andere middelen hebben gefaald. Volgens de MVT is een gebrek aan toezicht geen reden om onvrijwillige zorg toe te willen passen of cliënten in hun vrijheid te beperken. Dat onvrijwillige zorg in een dergelijke situatie niet proportioneel is wordt ook vanuit de sector zelf onderschreven.

§2.           Het zorgplan

In hoofdstuk 2 van de Wet Zorg en Dwang (verder: WZD) worden geregeld: (a) het opstellen van een zorgplan, (b) het heroverwegen van het zorgplan en (c) onvrijwillige zorg in het zorgplan. ‘Onvrijwillige zorg’ is een van de belangrijkste begrippen in de WZD. Groot verschil met de Wet BOPZ is dat voor het toepassen van onvrijwillige zorg niet langer vereist is dat een cliënt gedwongen binnen een accommodatie is opgenomen. Onvrijwillige zorg is – mits voldaan wordt aan alle voorwaarden – ook mogelijk bij cliënten die vrijwillig binnen een accommodatie van een zorgaanbieder verblijven. Om onvrijwillige zorg bij een cliënt te mogen toepassen dient de zorgverantwoordelijke van een cliënt, die de zorgaanbieder voor iedere cliënt dient aan te wijzen, eerst een zogenoemd ‘stappenplan’ te doorlopen. Het stappenplan regelt welke deskundigen de zorgverantwoordelijke dient te betrekken bij het besluit om onvrijwillige zorg in het zorgplan op te nemen en bij besluiten tot verlenging van de periode waarin onvrijwillige zorg verleend kan worden.

In het kader van het stappenplan dient in multidisciplinair verband ook de proportionaliteit, doelmatigheid en effectiviteit van de voorgenomen onvrijwillige zorg te worden afgewogen, dient er een alternatievencheck te worden gedaan en dienen de risico’s van onvrijwillige zorg eveneens multidisciplinair te worden besproken. Uiteindelijk beslist de zorgverlener of de voorgesproken onvrijwillige zorg daadwerkelijk wordt toegepast en koppelt de zorgverlener dit terug aan de zorgverantwoordelijke.

Multidisciplinair overleg betekent overigens volgens de wetgever dat de zorgverantwoordelijke met ten minste één deskundige van een andere discipline dan de eigen discipline moet overleggen. Daarnaast dient in elk geval een arts aan het overleg deel te nemen als bepaalde vormen van onvrijwillige zorg (zoals medicatie, beperken van de bewegingsvrijheid en insluiten) worden overwogen. Als onvrijwillige zorg niet binnen de afgesproken termijn kan worden afgebouwd dient een niet bij de zorg betrokken deskundige te worden ingeschakeld. Daarnaast moet, zolang een maatregel wordt toegepast, steeds de noodzaak en effectiviteit daarvan geëvalueerd worden. De wet gaat ervan uit dat onvrijwillige zorg niet langer wordt toegepast dan strikt noodzakelijk, dit om ernstig nadeel te voorkomen.

Op basis van het ‘Besluit zorg en dwang’ is het (in beginsel) mogelijk dat alle vormen van onvrijwillige zorg eveneens buiten een accommodatie (ambulant) mogen worden toegepast. Daartoe zijn in het besluit de voorwaarden voor onvrijwillige zorg in de ambulante setting uitgewerkt. Verplicht is onder andere dat multidisciplinair wordt besproken op welke wijze toezicht op een cliënt zal worden gehouden om diens veiligheid voldoende te borgen, hoeveel zorgverleners bij het uitvoeren van de ambulante onvrijwillige zorg aanwezig moeten zijn en welke ter zake deskundige zorgverlener bereikbaar is voor verzoeken om hulp. Een essentieel punt bij onvrijwillige zorg in de ambulante setting is de rol van de familie. Doordat het toezicht eventueel ook (gedeeltelijk) kan worden overgelaten aan een mantelzorger hoeft niet de gehele dag of nacht een professionele zorgverlener aanwezig te zijn. De verantwoordelijkheid voor de onvrijwillige zorg blijft echter liggen bij de zorgaanbieder, die duidelijke instructies dient te geven aan de mantelzorger, dient in te schatten of de mantelzorger zijn taak kan uitoefenen en die altijd op afroep beschikbaar dient te zijn.

Multidisciplinair overleg is een terugkerend thema binnen het kader voor onvrijwillige zorg op grond van de WZD, zowel binnen een accommodatie als daarbuiten. Steeds opnieuw dienen alle randvoorwaarden voor het toepassen van onvrijwillige zorg multidisciplinair te worden afgewogen. Dit maakt dat het beslissen over onvrijwillige zorg op grond van de WZD een intern proces is, waarbij veel verantwoordelijkheid wordt gelegd bij de zorgverantwoordelijke, de overige betrokken zorgprofessionals en de eventuele mantelzorgers.

  • Waar in de WZD steeds wordt gesproken over onvrijwillige zorg, wordt in de WVGGZ het begrip ‘verplichte zorg’ gehanteerd. Verplichte zorg is zorg die ondanks verzet van een cliënt wordt toegepast. De WVGGZ hanteert grotendeels dezelfde limitatieve vormen van gedwongen zorg als de WZD. Een belangrijk verschil is dat in de WVGGZ ook een opname in een accommodatie van een zorgaanbieder wordt gerekend tot de vormen van verplichte zorg, waar dit in de WZD niet tot de vormen van onvrijwillige zorg wordt gerekend
  • Het belangrijkste verschil tussen de procedure tot onvrijwillige zorg in de WZD en de procedure tot verplichte zorg in de WVGGZ is dat in de WVGGZ altijd een rechter meekijkt naar de te verlenen verplichte zorg, terwijl in de WZD de beslissingen over alle vormen van onvrijwillige zorg volledig bij de betrokken zorgprofessionals worden gelegd.

§3.           De rechterlijke machtiging

De WZD onderscheidt (a) een vrijwillige opname, (b) een opname op basis van een besluit tot opname en verblijf van het CIZ en (c) onvrijwillige opname.

  • Van een vrijwillige opname is sprake als een cliënt weloverwogen besluit om te verhuizen naar een locatie waar zorg in combinatie met verblijf wordt geboden.
  • Als een cliënt niet in staat is om weloverwogen te beslissen over opname, maar zich ook niet tegen opname verzet, kan een cliënt alleen worden opgenomen op basis van een besluit tot opname en verblijf. Het besluit tot opname en verblijf wordt genomen door het CIZ.
  • Als een cliënt zich tegen opname verzet kan hij worden opgenomen op basis van een rechterlijke machtiging of, in crisissituaties, op basis van een beschikking tot inbewaringstelling. In deze situaties is sprake van een onvrijwillige opname. Hiervan is ook sprake als een cliënt met een voorwaardelijke machtiging wordt opgenomen omdat hij zich niet aan de voorwaarden houdt. De voorwaardelijke machtiging is onder de WZD alleen van belang voor cliënten tot 23 jaar met een verstandelijke beperking. 1 De rechterlijke machtiging voor cliënten die nu onder de reikwijdte van de WZD vallen werd op basis van de BOPZ aangevraagd door het Openbaar Ministerie. In de WZD krijgt het CIZ die rol. Een beschikking inbewaringsteling wordt, zowel in de BOPZ als in de WZD, afgegeven door de burgemeester.

§3.1.        Eén soort rechterlijke machtiging: de machtiging tot opname en verblijf

De artikelen 24 t/m 28 en 38 t/m 43 WZD gaan over de rechterlijke machtiging, die vereist is indien een cliënt of zijn vertegenwoordiger zich verzet tegen de opname of het verblijf in een accommodatie. Voor de opzet van het systeem van de rechterlijke machtiging van de WZD is volgens de MVT gekeken naar het machtigingensysteem van de Wet BOPZ. Anders dan in de Wet BOPZ, is er ten aanzien van de machtiging echter geen onderscheid gemaakt tussen de eerste keer dat een cliënt wordt opgenomen in een accommodatie en een voortgezet verblijf van een cliënt in een accommodatie. De WZD kent nog slechts één soort machtiging: de machtiging tot opname en verblijf. Bij een cliënt die reeds in een accommodatie verblijft, kan het gaan om voortzetting van een onvrijwillig verblijf door middel van een verlenging van de machtiging, maar ook om de gedwongen voortzetting van een verblijf dat in eerste instantie vrijwillig was. De criteria voor een machtiging voor een cliënt die reeds in een accommodatie verblijft zijn dezelfde als die gelden voor de machtiging voor een cliënt die voor de eerst maal wordt opgenomen.

§3.2.        Criteria voor de gedwongen opname of (voortgezet) verblijf

Artikel 24 lid 1 WZD bepaalt dat onvrijwillige opnamen en verblijf of voortzetting van het verblijf alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging. Artikel 24 lid 3 WZD bepaalt vervolgens de criteria voor de gedwongen opname en verblijf of het gedwongen voortgezette verblijf.

  • Er dient sprake te zijn van ernstig nadeel (voor een cliënt of anderen) als gevolg van een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke beperking of een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of combinatie hiervan;
  • De opname en het verblijf dienen noodzakelijk te zijn om het ernstig nadeel af te kunnen wenden;
  • De opname en het verblijf dienen geschikt te zijn om het ernstig nadeel af te kunnen wenden;
  • Er is geen minder zwaar middel om het ernstige nadeel af te kunnen wenden.

Het ernstig nadeel hoeft zich nog niet te hebben voorgedaan. Onder de term afwenden, valt zowel het voorkomen van het nadeel als het beëindigen ervan, als het zich al heeft voortgedaan. Als het gaat om voorkomen van nadeel, dient wel te worden aangetoond dat de kans reëel is dat het nadeel zich (op korte termijn) zal voordoen als niet wordt ingegrepen.

Wanneer het gaat om cliënten die al in een accommodatie verblijven is op basis van Artikel 24 lid 4 WZD, anders dan bij de Wet BOPZ, de procedure voor gedwongen opname en verblijf niet alleen van toepassing bij het verlengen van een reeds afgegeven machtiging ten behoeve van de voortzetting van het verblijf, maar ook bij de gedwongen voortzetting van het verblijf van een cliënt die in eerste instantie vrijwillig in de accommodatie verbleef. van Artikel 24 lid 4 WZD geeft bovendien een regeling voor cliënten die vrijwillig of op basis van een besluit van het CIZ in een accommodatie verblijven, maar zich vervolgens zodanig verzetten tegen hun verzorging of behandeling dat moet worden aangenomen dat hun verblijf onvrijwillig is. Ook voor deze patiënten is een rechterlijke machtiging voor opname en verblijf nodig.

§3.3.        De aanvraag voor een rechterlijke machtiging

Artikel 25 WZD regelt welke personen het CIZ kunnen vragen een verzoek om een rechterlijke machtiging, als bedoeld in artikel 24 lid 1 in te dienen:

  • de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel;
  • de vertegenwoordiger;
  • elke meerderjarige bloedverwant in de rechte lijn of de zijlijn tot en met de tweede graad en elke meerderjarige aanverwant tot en met de tweede graad;
  • de zorgaanbieder die een cliënt feitelijk zorg verleent, of
  • de Wzd-arts.

De aanvraag wordt op basis van lid 2 schriftelijk ingediend bij het CIZ. Lid 3 geeft termijnen voor het indienen van het verzoek. Wanneer het een cliënt betreft die al op grond van een machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verblijft, wordt de aanvraag in de negende of achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van deze machtiging gedaan. Indien het een cliënt betreft die al op grond van een machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling in een accommodatie verblijft, wordt de aanvraag in de vierde week voor het einde van de geldigheidsduur van deze machtiging gedaan.

§3.3.1.     Het verzoek

Op basis van artikel 26 lid 1 WZD dient het CIZ na ontvangst van de aanvraag een verzoek in bij de rechter. Dit verzoek wordt voor cliënten die nog niet in een accommodatie verblijven zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen drie weken na de dag van verzending van de aanvraag bij de rechter ingediend. Bij een cliënt die al op grond van een machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling in een accommodatie verblijft, moet het verzoek binnen één week na de dag van verzending van de aanvraag worden ingediend.

§3.3.2.     Marginale toetsing CIZ

Het CIZ dient op basis van artikel 26 lid 2 WZD bij de indiening van dit verzoek zelf een toetsing uit te voeren met betrekking tot de vraag of er sprake is van verzet tegen de opname en het verblijf of voortgezet verblijf en of voldaan is aan de criteria genoemd in artikel 24 WZD. Die toetsing kan op basis van de gekozen formulering ‘grond heeft om aan te nemen dat’ een marginale toetsing zijn. De rechter heeft de taak om ten volle te toetsen of voldaan wordt aan alle criteria van artikel 24 WZD.

§3.3.3.     Medische verklaring

In artikel 26 lid 5 WZD is bepaald welke bescheiden het CIZ bij het verzoek aan de rechter dient te overleggen. Onder andere moet een medische verklaring worden overgelegd, opgesteld door een onafhankelijk oordelend, dat wil zeggen, niet bij de behandeling betrokken, ter zake deskundige arts. Wanneer het gaat om iemand met een psychogeriatrische aandoening – vaak dementie – is een verpleeghuisarts of sociaal geriater deskundig, terwijl de medische verklaring voor iemand met een verstandelijke beperking door een arts voor verstandelijk gehandicapten dient te worden opgesteld. De verklaring kan pas worden opgemaakt na een persoonlijk voorafgaand onderzoek van een cliënt door de bewuste arts. Het is niet voldoende indien bijvoorbeeld de verpleeghuisarts het onderzoek laat verrichten door een arts-assistent, huisarts of indicatiesteller en vervolgens de verklaring tekent.

§3.3.4.     Inhoud medische verklaring

De medische verklaring dient op basis van artikel 27 WZD te voldoen aan een aantal inhoudelijke en procedurele eisen. Uit de verklaring dient te blijken dat er sprake is van onvrijwilligheid, als bedoeld in artikel 24 lid 2 WZD, en waaruit die onvrijwilligheid bestaat en of voldaan wordt aan de criteria, genoemd in artikel 24 lid 3 WZD. De verklaring moet actueel zijn, hij dient immers inzicht te geven in de huidige situatie van een cliënt (lid 2). Om een zo volledig mogelijk beeld van een cliënt te kunnen schetsen in de verklaring pleegt de arts die de verklaring opstelt, voor het opstellen overleg met de zorgaanbieder die cliënt zorg verleent (zoals bijvoorbeeld thuiszorg of dagbesteding) of, indien deze ontbreekt, met huisarts van een cliënt (lid 3).

§4.           De Procedure bij de Rechter

De artikelen 38 t/m 43 WZD bepalen de formele regels van procedure voor de rechter bij zijn beslissing op het verzoek om een rechterlijke machtiging.

§4.1.        Horen cliënt

Op grond van artikel 38 lid 1 WZD dient de rechter in ieder geval een cliënt te horen voordat hij beslist op het verzoek tot het verlenen van een machtiging. De rechter kan ook naar een cliënt toe gaan, indien een cliënt niet in staat is naar de rechtbank te komen. Dat geldt volgens de MVT niet alleen voor mensen die niet in staat zijn om naar de rechtbank te komen, maar ook voor degenen voor wie een dergelijke reis zoveel onrust zou veroorzaken, dat er een gedragsprobleem ontstaat.

§4.2.        Last toevoeging advocaat

Artikel 38 lid 3 WZD bepaalt dat de rechter een last tot toevoeging geeft van een advocaat.

§4.3.        Voorlichting

Ingevolge artikel 38 lid 4 WZD laat de rechter zich zo mogelijk nog voorlichten door degene die de aanvraag tot een verzoek om rechterlijke machtiging heeft ingediend, de vertegenwoordiger van een cliënt, degene door wie een cliënt feitelijk wordt verzorgd, de zorgverantwoordelijke en de arts die de medische verklaring heeft afgelegd. Eveneens kan hij zich laten voorlichten door broers, zussen, ouders, kinderen, kleinkinderen of hun juridische partners, zoals een schoondochter of schoonzus (lid 5).

§4.4.        Deskundigen en getuigen

Op basis van artikel 38 lid 6 WZD kan hij deskundigen inroepen om een onderzoek te doen en getuigen oproepen. De rechter krijgt hierdoor de mogelijkheid om voor zichzelf een zo compleet mogelijk beeld te schetsen met betrekking tot de situatie van een cliënt.

§4.5.        Beter een zorgmachtiging?

Artikel 38 lid 10 WZD geeft de rechter de mogelijkheid om, indien hij van mening is dat een cliënt beter af is met een machtiging op grond van de WVGGZ, de bal terug te leggen bij het CIZ en de officier van justitie of zelf in de zaak voorzien, in de zin dat hij een machtiging afgeeft op basis van de WVGGZ.

§4.6.        Beslistermijnen

§4.6.1.     Zo spoedig mogelijk

Op grond van artikel 39 lid 1 WZD beslist de rechter zo spoedig mogelijk op het verzoek tot het verlenen van een machtiging.

§4.6.2.     Drie weken

Als het gaat om een cliënt die al in een accommodatie verblijft, is die termijn in lid 1 bepaald op 3 weken na indiening van het verzoekschrift. In die gevallen heeft een cliënt immers aangegeven er niet langer te willen blijven. Overigens kan in die gevallen volgens de MVT een inbewaringstelling soms eerder aan de orde zijn, als het risico op ernstig nadeel dat een cliënt buiten de accommodatie loopt zo groot is, dat de procedure bij de rechter niet kan worden afgewacht. 

§4.7.        Geldigheidsduur

Het CIZ geeft bij het indienen van het verzoekschrift een advies over de gewenste geldigheidsduur van de machtiging. Indien de rechter van het advies afwijkt, vermeldt hij de redenen daarvoor op grond van artikel 39 lid 3 WZD in de beschikking.

§4.7.1.     Zes maanden

Artikel 39 lid 4 WZD geeft de maximale geldigheidsduur van de beschikking aan. De eerste machtiging tot opname en verblijf heeft altijd een maximale geldigheidsduur van 6 maanden. Daarvoor is gekozen volgens de MVT, vanuit het oogpunt van rechtsbescherming van een cliënt. Na een eerste besluit tot vrijheidsbeneming moet er binnen een redelijke termijn worden getoetst of er inmiddels een verbetering van de situatie is opgetreden. Daarbij wordt in eerste instantie gedacht aan mensen met een (lichte) verstandelijke beperking, die soms op het randje kunnen zitten van intra- en extramurale zorg. Maar ook bij mensen met dementie gebeurt het in een enkel geval dat de omstandigheden verbeteren, waardoor gedwongen opname niet langer nodig is. Wat voor deze laatste groep veel vaker voorkomt, is dat de situatie achteruit is gegaan en een cliënt inmiddels zijn verzet niet meer kenbaar maakt. In dat geval is niet langer een rechterlijke machtiging vereist, maar dient wel een besluit tot opname en verblijf van het CIZ te volgen. 

§4.7.2.     Twee tot vijf jaar

Mocht het nodig zijn dat het verblijf in de accommodatie na de eerste machtiging wordt voortgezet, en een cliënt verzet zich daar nog steeds tegen, dan dient een nieuwe machtiging te worden afgegeven. Bij de maximale geldigheidsduur van deze tweede machtiging wordt in artikel 39 lid 5 WZD is onderscheid gemaakt tussen de groep cliënten met een verstandelijke beperking en de groep cliënten met een psychogeriatrische aandoening. Voor de eerste groep is de maximale geldigheidsduur van de machtiging 2 jaar en voor tweede groep is de maximale duur 5 jaar. Dit onderscheid is volgens de MVT gemaakt omdat in de situatie van mensen met een verstandelijke beperking zich nog wel verbeteringen kunnen voordoen die vragen om een andere afweging. Gezien het progressieve verloop van een psychogeriatrische aandoening, is na die eerste termijn van zes maanden een zodanige verbetering dat een onvrijwillige opname niet langer nodig is minder voor de hand liggend. Het staat de rechter uiteraard altijd vrij de termijn van een machtiging toch korter te laten zijn dan twee of vijf jaar. Eventuele machtigingen die daar weer op volgen kunnen een maximale geldigheidsduur van vijf jaar hebben.

Een uitzondering op de regel in lid 5 wordt gemaakt in lid 6. Voor cliënten waarvan het duidelijk is dat hun situatie niet zal wijzigen, kan na de machtiging van maximaal zes maanden, voor de voortzetting van het verblijf een machtiging worden afgegeven met een maximale duur van vijf jaar.

§4.8.        Geen hoger beroep

Op grond van artikel 39 lid 8 WZD is er geen mogelijkheid om tegen een beschikking op een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging in hoger beroep te gaan. Hierdoor wordt een gelijke procedure bewerkstelligd als in de WVGGZ. In de huidige praktijk lijkt naast de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad geen behoefte te bestaan aan hoger beroep.

§5.           Opname en verblijf in crisissituaties: inbewaringstelling en voortzetting inbewaringstelling

De artikelen 29 t/m  37 WZD geven een regeling voor gedwongen opname in situaties dat het zo urgent is dat er geen tijd is om de reguliere machtigingsprocedure af te wachten;

§5.1.       De inbewaringstelling

§5.1.1.     Bevoegdheid beschikking inbewaringstelling

In artikel 29 WZD is, net als in de Wet BOPZ, aan de burgemeester de bevoegdheid gegeven, in afwijking van artikel 24 lid 1 WZD, een cliënt ondanks het ontbreken van de bereidheid daartoe, te doen opnemen. De burgemeester kan daartoe een last tot inbewaringstelling geven.

§5.1.2.     Criteria afgifte last

Voor de afgifte van deze last gelden dezelfde criteria als voor de rechterlijke machtiging. Er dient sprake te zijn van ernstig nadeel (voor een cliënt of anderen) als gevolg van het gedrag van een cliënt als gevolg zijn psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke beperking of een daarmee gepaard gaande psychische stoornis. De opname en het verblijf dienen noodzakelijk en geschikt te zijn om het ernstig nadeel af te kunnen wenden en er is geen minder zwaar middel om het ernstige nadeel af te kunnen wenden. Afwijkend van de hoofdregel is wel dat in spoedsituaties het voldoende wordt geacht als er een ernstig vermoeden bestaat dat het nadeel het gevolg is van een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. Er hoeft met andere woorden geen volledige zekerheid te zijn dat de aandoening of handicap het nadeel veroorzaakt. Bovendien geldt de ratio die achter de regeling zit als voorwaarde, namelijk dat het ernstig nadeel zo onmiddellijk dreigend is dat een machtigingsprocedure niet kan worden afgewacht.

§5.1.3.        Geldigheidsduur inbewaringstelling

In principe maximaal 3 dagen. Artikel 29 lid 4 bepaalt dat een inbewaringstelling een geldigheidsduur van ten hoogste drie dagen heeft. Dat is de maximale termijn waarbinnen iemand van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder tussenkomst van de rechter. Indien echter het CIZ binnen die drie dagen een verzoek tot een machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling bij de rechter indient, vervalt de inbewaringstelling pas op het moment dat de rechter uitspraak doet (lid 4 van artikel 29).

§5.1.4.     Beslistermijn

Die beslissing op het verzoekt tot voortzetting van de inbewaringstelling neemt de rechter op basis van artikel 39 lid 1 WZD binnen 3 dagen na de dag waarop het is ingediend.

§5.1.5.     Geldigheidsduur machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling

De machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling heeft op grond van artikel 39 lid 4 WZD een geldigheidsduur van zes weken.

Die periode is volgens de MVT voldoende om een reguliere machtiging tot opname en verblijf aan te vragen, met een medische verklaring waarin niet slechts een ernstig vermoeden, maar een daadwerkelijke diagnose van een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke beperking wordt gegeven en het daaraan gekoppelde ernstig nadeel.

§5.1.6.     Medische verklaring

In artikel 30 WZD is de eis geregeld dat aan een last tot inbewaringstelling een medische verklaring ten grondslag dient te liggen, waaruit blijkt dat de betrokkenen aan de criteria voor een inbewaringstelling voldoet. Daarnaast geeft artikel 30 aan de wijze waarop deze verklaring tot stand dient te komen, met als belangrijkste eis dat, tenzij onderzoek niet mogelijk is, de arts die de verklaring afgeeft de betrokkene vooraf onderzoekt.

§5.1.7.     Recht op bijstand advocaat

Omdat het gaat om een situatie waarin sprake is van vrijheidsbeneming, heeft de betrokkene recht op bijstand door een advocaat. Artikel 31 WZD bepaalt dat de burgemeester er zorg voor draagt dat die binnen 24 uur beschikbaar is.

§5.1.8.     Welke bevoegdheden zijn gebruikt door politie?

Artikel 32 WZD zorgt ervoor dat de procedure die in een individueel geval gevolgd is, via de beschikking transparant wordt gemaakt. De burgemeester maakt daartoe op beschikking, bedoeld in artikel 29 lid 1 WZD, aantekening van de ontvangst van bepaalde gegevens en het al dan niet gebruik maken van bepaalde bevoegdheden door politiebeambten op basis van artikel 33 WZD, zoals bijvoorbeeld het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner. Omdat er bij een opname in een crisissituatie in beginsel altijd sprake is van verzet door de betrokkenen, kan het nodig zijn gebruik te maken van politieambtenaren om de inbewaringstelling ten uitvoer te leggen.

§5.2.        Verzoek verlenen machtiging voortzetting inbewaringstelling

Het CIZ krijgt op basis van artikel 37 WZD, net als bij de procedure voor een reguliere rechterlijke machtiging tot opname en verblijf, de taak om de rechter in te schakelen en een machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling aan te vragen. Het CIZ dient dat te doen uiterlijk de dag nadat de stukken van de burgemeester zijn ontvangen, indien het van oordeel is dat inderdaad sprake is van een crisissituatie waarbij is voldaan aan de criteria van artikel 29 WZD. Alleen dan vervalt de inbewaringstelling niet na drie dagen, maar pas wanneer de rechter een besluit over een machtiging heeft gegeven. De stukken die het CIZ meestuurt bevatten, volgens de MVT, onder meer dezelfde medische verklaring als waarop de burgemeester zijn inbewaringstelling baseerde. Er hoeft dus niet binnen een dag een correcte diagnose te worden gesteld; daarvoor dient nu juist de termijn waarvoor de machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling wordt afgegeven.