Recherchewerkzaamheden in België

Binnen de Europese Unie komt men steeds vaker de situatie tegen dat een particulier rechercheur uit de ene EU-lidstaat onderzoeksactiviteiten verricht op het grondgebied van een andere EU-lidstaat. Ook vanuit een Nederlands particulier onderzoeksbureau kan de wens bestaan om onderzoeksactiviteiten te verrichten op het grondgebied van andere EU-lidstaten.

In deze White paper komt aan de orde aan welke eisen een Nederlands particulier onderzoeksbureau dient te voldoen, die onderzoeksactiviteiten wenst te verrichten op het Belgische grondgebied.  

Toepassingsgebied

In België wordt de private recherche geregeld in:
1) Wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective;
2) Koninklijk besluit van 28 september 1992 tot vaststelling van de openbare en militaire ambten zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 6°, van de Wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective;
3) Koninklijk Besluit van 29 april 1992 betreffende vergunning om het beroep van privé-detective uit te oefenen, gewijzigd door de Koninklijke Besluiten van 7 juni 1997 en 26 mei 1998;
4) Koninklijk Besluit van 29 juni 1992 tot vaststelling van de procedure tot schorsing en intrekking van de vergunning voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective;
5) Ministerieel Besluit van 19 februari 1993 betreffende de identificatiekaart voor privé-detectives, gewijzigd door het Ministerieel Besluit van 9 februari 1998; en
6) Offcieuse coördinatie van het Koninklijk Besluit van 14 september 1992 betreffende de uitreiking van het certificaat voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de instellingen gemachtigd om dit certificaat af te leveren, gewijzigd door de Koninklijke Besluiten van 9 juni 1997 en 17 febrauri 2005.

In de Belgische wetgeving wordt als privé-detective beschouwd elke natuurlijke persoon die gewoonlijk, al of niet in ondergschikt verband, tegen betaling en voor een opdrachtgever activiteiten uitoefent bestaande uit: 1) het opsporen van verdwenen personen of verloren of gestolen gpederen, 2) het inwinnen van informatie omtrent burgerlijke stand, gedrag, moraliteit en vermogenstoestand van personen; 3) het verzamelen van bewijsmateriaal voor het vasstellen van feiten die aanleiding geven of kunnen geven tot conflicten tussen persoenen, of die aangewend kunnen worden voor het beëindigen van die conflicten; 4) het opsporen van bedrijfsspionage; en 5) elke andere activiteit beplaad bij een in Ministerraad overlegd Koninklijk Besluit (art. 1 §1 Detectivewet)

Vergunningplicht

Vergunninggebondenheid

In België wordt de vergunninggebondenheid geregeld in art. 2 Detectivewet. Ingevolge § 1 lid 1 van dit artikel mag niemand het beroep van privé-detective uitoefenen of zich als dusdanig bekend maken, indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft gekregen. In tegenstelling tot de Nederlandse situatie verkrijgt een privé-detective deze vergunning van de Minister van Binnenlandse Zaken, na advies van de Veiligheid van de Staat en van de procureur des Konings van de wettige hoofdverblijfplaats van de betrokkene en, bij ontstentenis ervan, de Minister van Justitie.
Het is de privé-detective verboden zijn activiteiten uit te oefenen ten behoeve van publiekrechtelijke rechtspersonen, behoudens toestemming van de Minister van Binnenlandse zaken (art. 13 Detectievwet).

Vergunningeisen

In België worden de vergunningeisen voor een privé-detective geregeld in artikel 3 Detectivewet. In dit artikel wordt er een onderscheidt gemaakt tussen vergunningaanvragers met en zonder een vestigingsplaats in België (art. 3 §1 resp. §2 Detectivewet).

Een vergunningaanvrager zonder een vestigingsplaats in België dient te voldoen aan een zevental voorwaarden:
1) niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, of tot een lagere correctionele straf wegens de delicten limitatief opgesomd in dit sublid (art. 3 §2, sub 1º ).
2) Onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie (art. 3 §2, sub 2º).
3) Een vestigingsplaats hebben gekozen bij een in België gevestigde vergunde privé-detective die ervoor instaat dat de aanvrager de artikelen 5, 6 en 7 naleeft (art. 3 §2, sub 3º ).
4) Niet tegelijkertijd activiteiten uitoefenen in een bewakingsonderneming, een beveiligingsonderneming of een interne bewakingsdienst, activiteiten betreffende de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en de handel in munitie dan wel enige andere activiteit verrichten die, doordat ze door een privé-detective wordt uitgeoefend, een gevaar kan opleveren voor de openbare orde of voor de in- of uitwendige veiligheid van de Staat. Wordt ambtshalve beschouwd als houdende een gevaar voor de openbare orde in de zin van het eerste lid, de gelijktijdige uitoefening van het beroep van detective en van een beroepsactiviteit die toegang geeft tot persoonsgegevens, tenzij het beroep van detective een inherent bestanddeel van de genoemde activiteit is (art. 3 §2, sub 4º).
5) Voldoen aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en ervaring of een gelijkwaardige opleiding genoten te hebben (art. 3 §2, sub 5º).
6) Sinds vijf jaar geen lid zijn geweest van een politie- of inlichtingendienst zoals bepaald in de Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten (18 juli 1991), noch een militair of openbaar ambt hebben bekleed dat voorkomt op een door de Koning bepaalde lijst, met dien verstande dat die termijn op tien jaar wordt gebracht voor degenen die werden afgezet of van ambtswege ontslagen uit het ambt (art. 3 §2, sub 6º).
7) Minimaal 21 jaar oud zijn (art. 3 §2, sub 7º).

De privé-detective moet gedurende de gehele periode tijdens welke hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent, voldoen aan deze bovengenoemde voorwaarden (art. 3 §3, 1ste volzin Detectivewet).  De privé-detective bij wie een vestigingsplaats gekozen is, moet gedurende dezelfde periode over de in artikel 2 § 1, lid 1 volzin Detectivewet, bepaalde vergunning beschikken en mag niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een schorsing of intrekking van deze vergunning.

Vergunningaanvraag

In België wordt de vergunningaanvraag voor privé-detectives geregeld in het Koninklijk besluit van 29 april 1992 betreffende vergunning om het beroep van privé-detective uit te oefenen, gewijzigd door de Koninklijke Besluiten van 7 juni 1997 en 26 mei 1998 (KB 29 april 1992).

Elke persoon die een vergunning aanvraagt om het beroep van privé-detective uit te oefenen richt daartoe een verzoek bij ter post aangetekende brief aan de Minister van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie (art. 1 lid 1).

Ex lid 2 van dit artikel dient deze aanvraag de volgende documenten en inlichtingen te bevatten:
1) een origineel of een kopie van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag bestemd voor een openbaar bestuur, of een gelijkwaardig getuigschrift indien de aanvrager zijn woonplaats in het buitenland hebben. Het getuigschrift van goed zedelijk gedrag of het gelijkwaardig getuigschrift mag niet meer dan zes maanden oud zijn op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend (art. 1 lid 2, 2°, sub a j° art.1 lid 2, 1°, sub a);
2) indien de aanvrager het beroep van privé-detective wenst uit te oefenen als bijberoep, een schriftelijke verklaring houdende de bijzondere redenen die de uitoefening als bijberoep staven (art. 1 lid 2, 2°, sub a j° art.1 lid 2, 1°, sub c);
3) indien de aanvrager wenst te genieten van de overgangsbepaling ex art. 22, §1 Detectivewet, het bewijs dat hij reeds op 15 april 1991 activiteiten, bepaald in art. 1 §1 Detectivewet, uitoefende (art. 1 lid 2, 2°, sub a j° art. 1 lid 2, 1°, sub d);
4) het bewijs dat hij de opleiding als bedoeld in art. 3 §1, 4°, of een gelijkwaardige opleiding met goed gevolg heeft beëindigd (art. 1 lid 2, 2°, sub b j° art. 1 lid 2, 1°, sub b); en
5) het bewijs dat hij een fictieve vestigingsplaats heeft gekozen bij een in België gevestigde vergunde privé-detective, die aanvaardt ervoor in te staan dat betrokkene de bepalingen van de art. 5, 6 en 7 Detectivewet naleeft (art. 1 lid 2, 2°, sub c).

EU/EER

N.B. T.a.v. een vergunningaanvrager die geen exploitatiezetel heeft in België, is het onduidelijk of de Minister van Binnenlandse Zaken bij de beoordeling van de vergunningaanvraag al dan niet rekening houdt met de waarborgen verstrekt in het kader van de wettelijke en gereglementeerde uitoefening van de activiteiten, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, in een andere lidstaat van de Europese Unie.

Beslissing tot Vergunningverlening

De beslissing waarbij de vergunning wordt verleend of geweigerd, moet binnen 6 maanden na de aanvraag ter kennis worden gebracht van de aanvrager (art. 2 §1 lid 5 Detectivewet).

De duur van de vergunning

De vergunning wordt verleend voor een termijn van 5 jaar en kan voor termijnen van 10 jaar worden vernieuwd (ex art.2 §1, lid 2, 1ste volzin Detectivewet).De aanvragen tot vernieuwing moeten ten minste 6 maanden voor het aflopen van de vergunning ingediend worden bij de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie en dienen vergezeld te zijjn van de documenten bepaald in art. 1 KB 29 april 1992 (art. 2 KB 29 april 1992).

De kosten van de vergunning

Om de kosten voor de administratie, investering en toezicht, nodig voor de toepassing van de Detectivewet en de uitvoeringsbesluiten ervan te dekken, is elke privé-detective aan wie een vergunning is verleend een jaarlijkse heffing verschuldigd (ex art. 20 §1 lid 1, 1ste volzin Detectivewet).

Het bedrag van de heffing wordt vastgesteld op 15.000 BFR (ex art. 20 §1 lid 1, 2de volzin Detectivewet). Dit bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van de indexcijfer der consumptieprijzen ex Wet van 2 augustus 1991.

Deze heffing is verschuldigd vanaf het kalenderjaar tijdens hetwelk de privé-detective zijn vergunning verkrijgt en is evenredig aan het aantal maanden gedurende welke de uitoefening van het beroep vergund is (art. 20 §3 lid 1 Detectivewet). Bij een 1ste vergunningaanvraag geschiedt de heffingsaanslag onmiddellijk (art. 20 §3, lid 2, 1ste volzin Detectivewet).

Schorsing of Intrekking van de vergunning

De Minister van Binnenlandse Zaken kan, overeenkomstig een procedure te bepalen bij een in de Ministerraad overlegd Koninklijk Besluit, de vergunning schorsen voor een termijn van ten hoogste 6 maanden, of intrekken indien de detective de bepalingen van de Detectivewet of van de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft (ex art. 18 lid 1 jº art. 2 §1 lid 2, 2de volzin Detectivewet). Deze beslissing wordt met redenen omkleed en genomen na de detective te hebben gehoord (art. 18 lid 2 Detectivewet).

De procedure inzake schorsing en/of intrekking van vergunningen wordt nader uitgewerkt in het Koninklijk Besluit van 29 juni 1992 tot vaststelling van de procedure tot schorsing en intrekking van de vergunning voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective (KB 29 juni 1992).

Vestigingsplicht

In België wordt aan de vergunningplicht voor een privé-detective een vestigingsplicht gekoppeld. Deze vestigingsplicht wordt geregeld in art. 3 §2 Detectivewet. Conform dit artikel geldt in beginsel de regel, dat een privé-detective uit een andere lidstaat een vestigingsplaats moet hebben op het Belgische grondgebied. Indien men dat niet heeft, dan dient men een vestigingsplaats te hebben gekozen bij een in België gevestigde vergunde privé-detective die ervoor instaat dat de particulier rechercheur uit de andere lidstaat de artikelen 5, 6 en 7 Detectivewet naleeft.

Legitimatieplicht

Identificatiekaartgebondenheid

In België wordt de legitimatieplicht voor privé-detectives geregeld in art. 2 en 12 Detectivewet. Conform art. 2 §1 lid 6, 1ste volzin Detectivewet wordt bij het verlenen van de vergunning aan de privé-detective een identificatiekaart afgegeven, waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken. Alleen de houder van deze identificatiekaart mag de titel van privé-detective voeren (ex art. 2 §1 lid 6, 2de volzin Detectivewet).

De privé-detective moet de identificatiekaart steeds bij zich dragen tijdens de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden. Hij moet deze kaart, voor de tijd nodig voor de controle, overhandigen bij elke vordering van een lid van een politiedienst of van een ambtenaar bedoeld in art. 17 lid 1 Detectivewet (ex art. 12 Detectivewet).

Voorwaarden voor het afgeven van een identificatiekaart

De voorwaarden voor afgifte van een identificatiekaart voor privé-detectives wordt summier geregeld in de Detectivewet. In art. 2 §1 lid 6, 2de volzin wordt namelijk slechts vermeld, dat er bij het verlenen van de vergunning een identificatiekaart voor privé-detectives wordt afgegeven. N.B. Er wordt niet specifiek benadrukt, dat men aan bepaalde voorwaarden moet voldoen voor de afgifte van deze identificatiekaart. Men mag ervan uitgaan, dat het voldoen de vergunningvoorwaarden een essentiële basis vormt voor het al dan niet afgeven van een identificatiekaart.

Aanvraag identificatiekaart

De aanvraag van de identificatiekaart wordt geregeld in het Ministerieel Besluit van 19 februari 1993 betreffende de identificatiekaart voor privé-detectives, gewijzigd door het Ministerieel Besluit van 9 februari 1998 (MB 19 februari 1993).

De privé-detective richt de aanvraag van de vergunning en de identificatiekaart tot het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie (art. 3 lid 1 MB 19 februari 1993).
De privé-detective dient, samen met zijn dossier betreffende zijn aanvraag tot vergunning om het beroep van privé-detective uit te oefenen, een recente zwart-wit of kleuren pasfoto en daarnaast het nummer van zijn identiteitskaart over te maken aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie (art. 3 lid 1 MB 19 februari 1993).

Plaats van de afgifte identificatiekaart

De afgifte van de identificatiekaarten voor privé-detectives vindt plaats in de kantoren van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie (art. 3 lid 2 MB 9 februari 1993)

Weigering van de identificatiekaart

De weigering een identificatiekaart te verstrekken hangt nauw samen met het al dan niet weigeren een vergunning te verlenen aan een privé-detective (zie art. 3 lid 1 MB 19 februari 1993 en zie art. 2 §1 lid 6 Detectivewet voor het verband tussen beiden).

Geldigheid Identificatiekaart

De geldigheid van de identificatiekaart hangt nauw samen met de geldigheid van de verleende vergunning (zie art. 3 lid 1 MB 19 februari 1993 en zie art. 2 §1 lid 6 Detectivewet voor het verband tussen beiden). Een vergunning voor een privé-detective, dus ook de identificatiekaart, wordt verleend voor 5 jaar. Dit kan weer verlengt worden met 10 jaar.

De aanvraag van de vernieuwing van de identificatiekaart geschiedt uiterlijk 6 maanden voor de vervaldatum van de definitieve kaart. Dit geschiedt gelijktijdig met de aanvraag van verlenging van de vergunning (art. 2 KB 29 april 1992 j° art. 3 lid 1 MB 19 februari 1993).

Terugsturen identificatiekaart

Ex art. 4 § 1 KB 29 april 1992 moet de identificatiekaart in de navolgende gevallen onmiddellijk naar de Minister van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie, teruggestuurd worden om ze te laten vernieuwen:
1) bij het verstrijken van de geldigheidstermijn;
2) wanneer de foto van de houder niet meer gelijkend is;
3) wanneer de kaart beschadigd is;
4) wanneer de houder van naam of voornaam verandert;
5) wanneer het adres van de vestigingsplaats van de houder verandert;
6) wanneer de naam, de voornaam of het adres van de vestigingsplaats van de privé-detective bij wie de houder een fictieve vestigingsplaats gekozen heeft, zijn activiteiten als privé-detective staakt; en
7) wanneer de vergunning van de privé-detective bij wie de houder een fictieve vestigingsplaats gekozen heeft, zijn activiteiten als privé-detective staakt.

Wanneer de privé-detective zijn activiteiten staakt, moet de identificatiekaart onmiddellijk naar de Minister van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie, teruggestuurd worden om ze te laten vernietigen (art. 4 §2 KB 29 april 1992).

Diploma-eisen

In tegenstelling tot Nederland zijn in België de diploma-eisen gekoppeld aan de vergunningverlening. Deze diploma-eisen worden deels geregeld in artikel 3 §2 Detectivewet. Een privé-detective met een vestigingsplaats in een andere lidstaat dient te voldoen aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en ervaring of een gelijkwaardige opleiding genoten te hebben (artikel 3 §2, onder 5º Detectivewet). Hierbij wordt er gedoeld op de Officiuese coördinatie van het Koninklijk Besluit van 14 september 1992 betreffende de uitreiking van het certificaat voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de instelling gemachtigd door de koninklijke besluiten van 9 juni 1997 en 17 februari 2005 (KB 14 september 1992).

Een vergunningaanvrager kan zich beroepen op diens buitenlandse opleidingstitel. Met een Belgisch certificaat of diploma worden gelijkgesteld: alle opleidingstitels, dan wel elk geheel van dergelijke titels die door een bevoegde instantie in een andere lidstaat zijn afgegeven, mits daarmee een in de Gemeenschap gevolgde opleiding afgesloten wordt welke door een bevoegde instantie in die ene lidstaat als gelijkwaardig wordt erkend en daaraan dezelfde rechten betreffende toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep zijn verbonden (ex art. 1, 3° lid 2 resp. art. 1, 4° lid 2 KB 14 september 1992). In art. 2bis lid 2 KB september 1992 wordt verder bepaald, dat de andere lidstaten en de Europese Commissie van deze erkenning in kennis moeten zijn gesteld.

De persoon die zich beroept op een dergelijke uitzondering, richt hiertoe op de door de Minister van Binnenlandse Zaken bepaalde wijze een verzoek aan de Minister van Binnenlandse Zaken, Algemene Directe Veiligheids- en Preventiebeleid, Directie Private Veiligheid (art. 2ter §1 lid 1 KB 14 september 1992). Daartoe dient hij een verzoekschrift in te dienen, met relevante documenten (ex art. 2ter §1 lid 2 en §2 KB 14 september 1992).
De aanvrager staaft zijn aanvraag met de volgende originele documenten of afschriften ervan:
a) de opleidingstitel waarop hij zich beroept (§2, onderdeel a, sub 1°);
b) het bewijs dat de titel werd afgegeven door een bevoegde instantie, daartoe aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijk bepalingen van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende EER (§2, onderdeel a, sub 2°);
c) de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die de toegang tot het verrichten van activiteiten ex art. 1 §1 Detectivewet, regelt in de lidstaat van de EG of een staat deeluitmakend van de EER, waar de aanvrager de opleidingstitel behaald heeft (§2, onderdeel a, sub 3°);
d) de syllabi of het collegedictaat door middel waarvan vergelijkend onderzoek met de inhoud van de vakken ex art. 3 §1 KB 14 september 1992 mogelijk is (§2, onderdeel a, sub 4°).

De Minister van Binnenlandse Zaken beslist binnen 4 maanden nadat de volledigheid van het dossier is vastgesteld omtrent het onderzoek (art. 2ter §3 KB 14 september 1992).